Verslag van een
fietsvakantie
29 juli – 10
augustus 2003
INLEIDING
Persoonlijke
fietservaringen via het internet wereldkundig maken, is dat geen meelijwekkend
vertoon van, ja van wat eigenlijk? Van ijdelheid? Zeker. Van trots? Wie weet.
Van het onvermogen tot wijze zelfbeperking, om aldus de risee van fietsend en
schrijvend Nederland te worden? Ongetwijfeld, maar dat weet je pas als de
teerling geworpen is.
Sinds de fiets
de literatuur werd binnengereden, is het peloton pen & pedaalridders zo
toegenomen dat de liefhebber van hun verhalen gebaat is bij een overzichtelijke
indeling: de onbetwiste commerciële toppers voorop, daarachter de pedante snobs
voor wie de combinatie van maatschappelijk/intellectuele status en beoefening
van volkssport een toegangsbewijs is tot de élitecultuur, en achteraan al die
zwoegers, die met illustere voorbeelden voor ogen euforische ogenblikken
beleefden tegen de flanken van een col of anders wel tegen de wind en van dat
zelfontdekte heldendom verslag doen. Laat ik er maar niet omheen draaien, geen
sneren uitdelen aan een leger enthousiastelingen waaraan ik in het diepste
geheim wil ontsnappen, en toegeven dat ik tot dezulken behoor.
Valt er noch
iets ter verdediging aan te voeren?
Ja, dit wordt
een verhaal waarin niets mooier, heldhaftiger of interessanter wordt
voorgesteld dan het was. Een verhaal dat begint met een conclusie en daaraan
zijn bestaan dankt. Het was gewoon een geweldige vakantie, in alle opzichten de
moeite waard. Zo’n vakantie die je aan jezelf vertelt om haar niet te vergeten.
DE
VOORGESCHIEDENIS
Ben ik een
fietser? Zeker is dat het gezin waarin ik opgroeide fietste en fietst. Fietsers
rijden door een landschap, bij moeder thuis aan de wand. Fietsen en fietsers,
op gedachtenisprentjes, op foto’s, tekeningen, borduursels. Maar dat wordt een
heel verhaal. Niet doen, een andere keer. Laat ik afscheid nemen van mijn
familie, de eerste fiets overslaan (in 1953 gekregen vlak voor die formidabele
Tour de France) en linea recta overschakelen naar de start in Dommelen. En naar
de fiets die ik de komende dagen als metgezel meeneem. Een kennismaking met die
fiets geeft een beter antwoord op de gestelde vraag dan alle denkbare
personalia samen. Het is namelijk niet mijn fiets.
Als ik eind
februari 1965 de militaire dienst verlaat, heeft Nederland zojuist een
loonexplosie meegemaakt. Met meer dan vijfhonderd gulden aan soldij, kleedgeld
enzovoort op zak komt een droom nabij en in augustus van dat jaar is het zover:
de eerste racefiets wordt aangeschaft. De tweedehands Eroba, volgens verkoper
Jan Willemsen in Nuth eigenlijk een cross-fiets, is door lakschade nog
nauwelijks geel te noemen. Voor honderdtachtig gulden krijg ik hem, opnieuw
gespoten maar nu donkerrood door de fa. Geirnaert in Luik. Dat is even slikken,
een Eroba die zich Geirnaert laat noemen.
De
wielercarrière die volgt duurt één seizoen, waarin ik op dikke banden rijd en
tijdens elke nieuwelingenkoers gelost word. De aspiraties zijn verdwenen, de
fiets blijf ik trouw, ook al blijft het
fietsen beperkt tot de dagelijkse rit naar school of werk en wordt de racefiets
nog enkel voor korte tochtjes in de zomervakantie bestegen.
In 1974,
getrouwd, een kind, nieuwe vrienden in een klein dorp, word ik lid van een
plaatselijke tourclub en mijn Eroba, want zo noem ik hem ondanks het logo,
wordt nu uitgerust met een heuse derailleur en tubewielen. Ook nu duurt de pret
niet veel langer dan een seizoen. Nog twee kinderen verrijken ons bestaan en de
voetbalsport verdringt de fiets.
En als
vervolgens de auto onze mogelijkheden verruimt, zorgen vakanties met drie
kinderen voor een propvolle laadbak, waarin voor een fiets geen plek is.
1995. Een
vakantie in groter familieverband brengt ons naar Fresse-sur-Moselle. Een blik
op de kaart leert dat enige kilometers verder de Ballon d’Alsace begint,
magische klank sinds mijn belangstelling voor de Tour ontwaakte. Welke
bagageproblemen zich ook aandienen, de fiets moet mee. En gaat mee. Maar kan ik
dat? Een col beklimmen?
Als we ter
plekke zijn, verdiep ik me op een der eerste avonden in de lokale Carte
Touristique, schaal 1:25.000, en bereken van bocht tot bocht de afstand en het
hoogteverschil, stel bij benadering stijgingspercentages vast en verwerk al die
gegevens in een klein kaartje met tabel, dat ik vervolgens van een plastic
hoesje voorzie. Samen met de oefentochtjes die ik ter plaatse al achter de rug
heb, om een conditiebegin te kweken, moet deze mentale voorbereiding voldoende
zijn. Met het kaartje op de stuurpen geplakt, nog steeds de oude stuurpen met
bout die de gegraveerde namen van Marcel Kint en Sylveer Maes omklemt, begin ik
op een ochtend waarop het kwik al 30° wijst aan de klim. Ik maak ondanks mijn
leeftijd een kapitale beginnersfout, ga ervan uit dat ik mezelf kan belonen door
een zo groot mogelijk verzet te trappen in de beginfase. Na twee kilometer moet
ik de 42x20 al vaarwel zeggen, met de 22 ben ik nog niet halverwege en dan rest
mij nog maar één pion. Terwijl ik machteloos 42x24 trap, overweeg ik om te
keren, bereid in gedachten alvast een larmoyant verhaal voor het thuisfront
voor, waarin zelfoverschatting het af moet leggen tegen de ijzeren natuur, dat
ik nu weet wat die Tour de France-mannen
in huis hebben, dat een col niet weggelegd is voor gewone stervelingen
enzovoort, hijs mezelf tegen beter
weten in nog een paar meter omhoog, maar na 6,6 kilometer (de fietscomputer
ontsiert nog niet mijn aloude stuur, alle berekeningen volgen uit
vergelijkingen met kaart en horloge) weigeren de benen. Ik plof in het gras
naast de weg en blijf daar minstens vijf minuten zitten, uitblazend, verdoofd
door de nederlaag, me vaag afvragend hoe deze nieuwe streep door een ideaal
mijn verdere leven gaat beïnvloeden. Als ik opsta is er iets gebeurd dat een
wijze les had moeten zijn, maar waarvan ik me toen en later te weinig bewust
was: de rust heeft me goed gedaan, krachten lijken teruggekeerd en ik vervolg
na een blik op het horloge, mijn weg naar de top. Meteen na de eerste bocht
lees ik Altitude 1000 M. Nog maar 170 meter hoogteverschil! Dat geeft moed. De
resterende kilometers zijn zwaar, maar ik haal de top. Nooit zal een Bière
d’Alsace iemand beter gesmaakt hebben. Twee smetten blijven aan deze rit
kleven. Is een col in twee gedeeltes beklimmen nog wel een prestatie? Voor
hetzelfde geld houd je vier rustpauzes, of veertien. Mag ik mijn totale
klimtijd over negen kilometer, 43 minuten, vanuit die optiek een plek in mijn
eigen boek geven?
Onder de indruk
van de afdaling tracht ik, terug in het familiekamp, deze of gene te overtuigen
van het genot een der volgende dagen een uitstapje over de Ballon te maken, met
een schitterend uitzicht als beloning. Natuurlijk wil ik mijzelf en familie en
passant laten weten wat hier volbracht werd. Het voorstel vindt geen gehoor.
Dat was smet twee.
Zomer 2001.
Volwassen kinderen. En een vriendschap van dertig jaar geleden, die door een
toeval weer opbloeit. Die bezegeld wil worden met een gezamenlijke fietstocht,
ook al kennen wij elkaar niet als fietser. Wat wij naast andere interessegebieden
delen is de hartstocht voor de Tour de France.
Na de rit Den
Bosch-Dommelen, waarin de kennismaking hernieuwd wordt, zullen we de volgende
dag naar Huy fietsen, de Muur beklimmen als de krachten toereikend zijn, een
hotel nemen en de dag erna weer terug. Op 25 augustus wijst de thermometer 34°
aan. In Borgloon ben ik een vaatdoek. Bevangen door de hitte. Mijn metgezel
berust erin dat de tocht niet verder gaat dan Tongeren. De terugtocht verloopt
een stuk beter. Bij het afscheid heeft de vriendschap zich, in weerwil van de
fysieke deceptie, verdiept.
Zomer 2002. Zes
dagen na de geboorte van mijn eerste kleinkind ontmoeten mijn vriend en ik
elkaar voor een nieuw fietsavontuur. Ontmoetingsplaats Maastricht. De dag
tevoren ben ik langs de Zuid-Willemsvaart naar mijn moeder in Eijsden gefietst.
Tijdens de overtocht per voetveer bij Uikhoven verneem ik van de veerwachter
dat in de Tourétappe naar La Plagne een Nederlander op kop ligt. Hij is de naam
vergeten! Gut, die Belgen toch. Ik kom op tijd in Bunde om op tv Michael
Boogerd fantastisch te zien winnen. Dat geeft moraal voor de komende dagen.
Het is 25 juli.
Op 30 juli zal in Bazel een treinkaartje voor de thuisreis klaarliggen. Mijn
vriend is een doorgewinterde fietser, als je dat kunt zeggen van iemand die
elke zomer, nu al vele jaren, de Franse wegen aandoet. Voor hem gaat de tocht
naar Nice en het eerste gedeelte zullen we samen afleggen. En deze keer ben ik
voorbereid. Na een miserabel begin van het jaar (slijmbeursontsteking, daarna
longinfectie) ben ik half maart voldoende hersteld om met kleine
trainingsritjes aan de conditie te werken. Te beginnen met 25 km in maart wordt
de afstand geleidelijk groter in de komende maanden, maar belangrijker dan de
afstand is de frequentie geworden. En ook al staan de afgelegde kilometers in
het teken van een revanche, het plezier is helemaal terug. Een plezier dat
velen die het begeren niet vergund is. Ja, die moralistische dooddoener moet er
toch bij! De dankbaarheid dat je kunt en mag fietsen, en genieten van al
datgene waartoe die competentie je in staat stelt, zal me mijn leven lang niet
verlaten. En die doet alle geklaag over ongemak van welke soort ook
onmiddellijk verstommen! Als het maar zo eenvoudig was. De rest van dit verslag
zal het uitwijzen.
Voel ik mij
lichamelijk nu beter toegerust, het vooruitzicht op een nieuwe en langduriger
confrontatie met de Vogezen stelt ook eisen aan de materiële voorbereiding.
Mijn nominale Geirnaert heeft jaren geleden een nieuwe laklaag gekregen en bij
die gelegenheid werd de fiets van echte Eroba-transfers voorzien, nieuwe van de
fabriek, dus jammer genoeg geen metalen balhoofdplaatje, maar toch. Nieuwe
remgrepen op het stuur deden ook de remkabels onder het stuurlint verdwijnen.
Nu volgt een nieuwe ingreep, die het klassieke uiterlijk nog verder aantast
maar het rijgenot ongehoord doet toenemen: op 17 juli verdwijnen de toeclips en
ervoor in de plaats komen SPD-pedalen en plaatjes in mijn
AGU-fiets/wandelschoenen. Dat zal niet genoeg zijn, want ik herinner me nog levendig
de Ballon-beklimming van zeven jaar geleden. Omdat het frame op royalere
mogelijkheden niet berekend is, volsta ik op advies van de uiterst deskundige
Jan van Katwijk met de vervanging van de grootste pion door een 26-er. Ik zal
het dus moeten doen met 52/42 voor en 14/16/18/20/22/26 achter.
En inmiddels
heeft de fietscomputer zijn plek veroverd.
Nooit te oud om
te leren, wordt de Vogezentocht een keerpunt in mijn bestaan.
Dit waren de
étappes:
25 juli
Maastricht-Diekirch 155 km
26 juli
Diekirch-Morhange 146 km
27 juli Morhange-St.Blaise-la-Roche 103 km
28 juli St.Blaise-le Markstein 100 km
29 juli le
Markstein-Bazel 110 km (nachttrein Bazel-Arnhem)
30 juli
Arnhem-Dommelen 100 km
De 28ste
juli, vergeef mij de dionysische metafoor, sterf ik als fietser om als fietser
herboren te worden. Maar misschien moet eerst een materieel detail belicht
worden. Dat betreft onze bagage. Omdat we de nacht doorbrengen in de hotels of
pensions die zich aandienen en zodra de ledematen daarom vragen, is slechts een
minimum aan bagage vereist, dat niettemin meegetorst moet worden. De ervaring
om met rugbepakking te rijden is nieuw voor mij en het laat zich moeilijk
inschatten hoezeer de rugzak zich niet alleen als gewicht laat gelden, maar ook
doorweegt op het lichaam, op de zitbotten bijvoorbeeld en zo een percentueel te
berekenen aanslag vormt op de beschikbare energie. Misschien kunnen medisch
deskundigen hier hun licht eens over laten schijnen.
Na twee dagen
waarin we behoorlijk opschieten en ik mezelf zeker in mijn verwachtingen
overtref, wordt de derde dag besloten niet lang na de beklimming van de Donon
(vanuit Raon). Viel die bult mij behoorlijk tegen, ook vanwege de harde wind,
de tocht was toch maar volbracht en de dag van morgen zou alles weer anders
zijn. En hier moet ik opnieuw een niet onbetekenend detail aanroeren, waarvan
ik mij afvraag of dit op meerdere fietsers van toepassing is. Wat meer
verantwoordelijk is voor dit ongemak, de ongekende vermoeidheid of de euforie
na de geleverde inspanning, het blijkt niet eenvoudig na een fietsdag de slaap
te vatten. Na een slapeloze nacht begint de vierde dag met een gemakkelijke
beklimming van de Col de Saales. Ik probeer de open wonden op mijn zitvlak, al
na enkele dagen opgelopen, te vergeten. Als ik een paar kilometer verder in de
klim van de iets zwaardere Col de Ste. Marie mijn ritme gevonden denk te
hebben, blokkeer ik bij het doorschakelen van 20 naar 22 tandjes ineens totaal.
Meteen door naar de 26. Paniek als ik merk dat die geen enkel effect sorteert.
Dit is geen klimmen meer, maar worstelen. Uitgeput kom ik boven, in de
wetenschap dat de dag nog maar pas begonnen is en dat de krachten op zijn. Wat
een aanloop naar het echte werk had moeten zijn, heeft mijn energie
opgesoupeerd. Einde verhaal. Nou ja, einde, intussen zit je door eigen schuld
mooi in Ste. Marie-aux-Mines, midden in de Vogezen en kom er maar eens uit. Ik
stel mijn vriend voor dat onze wegen hier scheiden, dat ik de gemakkelijkste
weg naar Colmar en vandaar naar Bazel zoek en de trein terug eerder neem. Ik
sla nu het hoofdstuk vriendschap met al zijn bekende, maar ook onvermoede
aspecten over en beperk mij tot de feiten:
Vanuit Ste.
Marie ga ik niet richting Colmar, maar wij beklimmen de Col des Bagenelles.
Bereid tot een laatste krachtsinspanning wil ik enerzijds demonstreren dat het
niet aan mijn mentaliteit ligt, anderzijds duidelijk aantonen dat er niet meer
inzit. Onder de maaltijd in het restaurant op de top valt na het noteren van de
laatste gegevens (11,36 km in 51 minuten) mijn fietscomputer van tafel. Stuk!
Deze
omstandigheid wekt op slag een grote onverschilligheid voor welk wapenfeit dan
ook. Hoewel ik twijfel aan een voortzetting van de tocht die de oorspronkelijke
belofte van gezamenlijk fietsplezier inlost, aanvaard ik het routevoorstel voor
de rest van de dag, maar vanuit het besef dat ik alle sportieve doelstellingen
laat varen en, voor zover dat mogelijk is, het gemak ervan neem. En zo begin ik
na de maaltijd en de rustpauze op de kleinste versnelling, 42x26 aan de Col du
Bonhomme, met minimale inspanning. Mijn vriend is al snel uit het zicht
verdwenen. Als de stijging van het wegdek het toelaat, versnel ik even, val dan
weer terug op de slome pedaaltred van het begin, en zo verder, steeds het tempo
afwisselend. Een computer die mij vertelt hoe langzaam het gaat, heb ik niet
meer, het kan mij ook niet schelen. Ik kom vooruit en, bijna ongemerkt, ervaar
ik zelfs een nieuw plezier. Over de Col du Louchbach gaat het naar de Col du
Calvaire en vandaar via de Route des Crêtes naar de Col de la Schlucht. En
verder langs de Hohneck over de Col du Herrenberg en de Col d’Hanenbrunnen. Het
is zondag. Dagjesmensen plukken bosbessen op de hellingen, motoren razen door
de bochten, het uitzicht op de meertjes beneden mij is adembenemend mooi. En
hier fiets ik, ik denk aan mijn kleindochter, aan de inzinking van een paar uur
geleden en bevind mij plotseling in een mentaal niemandsland. Alsof het plezier
er is, maar geen verlof krijgt om door te breken. Ik ben op, ik wil afstappen,
naar huis, komt er nooit een eind aan deze Route des Crêtes? Bij een hotel in
Le Markstein houden we het deze dag voor gezien. We besluiten dat het moment is
aangebroken waarop onze wegen scheiden. Ik zal een dag eerder in Bazel zijn dan
voorzien. De volgende ochtend rijden we over de Grand Ballon, dalen af naar
Willer-sur-Thur en nemen afscheid. Om mijzelf te bewijzen dat ik gisteren,
ondanks alle negatieve bespiegelingen, een nieuwe fase in mijn fietsbestaan ben
ingegaan, dat ik geleerd heb om zowel de hellingen als mijzelf te accepteren,
trakteer ik mezelf op de Col du Hundsrück, zie af in de hitte en op de gemene
steile stukken in de laatste kilometers.
Op het late
middaguur arriveer ik in Bazel. De trein vertrekt pas tegen middernacht. Als ik,
op een bank langs de Rijnoever het scheepvaartverkeer tussen de bruggen bekijk,
is de gedachte van gisteren, om mijn fiets in Bazel achter te laten, verdwenen.
Ik realiseer me dat ik voor het eerst van mijn leven in Zwitserland ben en dat
mijn benen mij tot hier gebracht hebben. Dankbaar bekijk ik mijn trouwe
karretje, al vanaf 1965 paraat, en op dat moment weet ik dat het niet bij deze
tocht zal blijven.
HET PLAN
Nu ik, onder
grote dankzegging aan mijn mentor, beter geleerd heb om omstandigheden van welke
aard ook te accepteren, en ik in staat ben gebleken naast mijn wilskracht mijn
vermogen tot luiheid aan te spreken, lijken ineens tal van verre doelen
bereikbaar. In 2003 moet ik, met de geringste nadruk op dat ‘moet’, maar laten
zien dat de rit naar Le Markstein een echte leerschool was. Als mijn benen mij
tot Bazel konden brengen, Zwitserland bereikbaar bleek, al ging het maar om
drie kilometer in het uiterste noordwesten, welk reisdoel komt dan nu in beeld?
Nooit een liefhebber van het zuiden geweest, in 1964 bracht de militaire
Lourdesbedevaart mij in Cirque de Gavarnie en dat bleef tot vandaag de dag de
zuidelijkste plek waar ik ooit vertoefde, raak ik vervuld van het idee dat ik
naar Italië zal gaan. Ook in Italië was ik nooit eerder. Zal ik naar Triëst
gaan? Geïnspireerd door het prachtige boek van Jan Morris over deze stad, met
dank aan de tipgever, lijkt Triëst mij een grandioze uitdaging. Dat wat ver weg
is, nabij brengen. Triëst klinkt niet alleen naar een verre plek, maar ook naar
een verre tijd. En past daar niet een langzame reis bij?
Na de droom de
daad. Ai, het ligt echt ver weg. Als de kaart open voor mij op tafel ligt, moet
ik concluderen dat deze afstand niet spoort met die andere intuïtieve opzet en
die betreft het aantal dagen dat ik van mezelf, gelet op alle echtelijke,
vaderlijke en grootvaderlijke verantwoordelijkheden, op reis mag gaan. Na de
vijfdaagse die achter mij ligt, mag het dit keer een onsje meer worden, laten
we zeggen het dubbele. En, als dat nog niet duidelijk was, ik zal deze keer
alleen reizen.
Het wordt
Italië. Gedachten aan oude pausen en keizers worden levendig, want om er te
komen moet je over besneeuwde bergen. En hoe zat dat ook weer met Hannibal?
Lang voor deze fietsplannen wist ik al dat, mocht ik ooit in Italië geraken,
dat bij voorkeur niet per vliegtuig of per trein zou zijn, want wat zou mooier
zijn dan het Romaanse Europa te ontdekken via een lange afdaling, vanaf de
Alpenpassen zoals eertijds Goethe deed. Maar diens Reis naar Italië ving aan in
Karlsbad. Kan een gedeelte van de reis dan samenvallen? En ik herlees de eerste
hoofdstukken uit genoemd boek tot de aankomst in Verona, zoek alle plaatsen en
plaatsjes op die Goethe aandeed. De reis zou over de Brenner Pas moeten gaan.
Maar eerst dringt zich een complicatie op. Hoe kom ik straks thuis? Het aardige
van zo’n lange tocht schuilt in een drievoudige beloning: het genot van de reis
zelf door telkens wisselende landschappen, het bereiken van een ver reisdoel en
de zekerheid dat je dat hele stuk niet meer fietsend terug hoeft. Toegegeven,
die laatste overweging is arbitrair en zal niet door alle fietsers beaamd
worden, en hier las ik opnieuw een vraag aan deskundigen in: hoever ga je van
huis als je weet dat je nog terug moet, met andere woorden hoe wijd is de lus
die je tekent, waar ligt het denkbeeldige punt van terugkeer, en vooral hoe
dankbaar of juist irritant is dat?
Het is tijd
voor nieuwe ontdekkingen. Die hebben namen als de Fietsvakantiewinkel,
Cycletours, ik bezoek de fietsvakantiebeurs in het Belgische Rétie. Wel of niet
een terugreis met vaste datum boeken? Is het niet beter om te kijken waar je
benen je brengen en dan naar bevind van zaken te handelen? We zijn nu het
hoofdstuk voorbereidingen genaderd, maar eerst moet nog beslist worden. Na lang
wikken en wegen en speurwerk in de brochures besluit ik het erop te wagen.
Bussen van Cycletours doen Riva, Verona en Mestre aan. Ik boek een terugreis
vanuit Verona.
VOORBEREIDINGEN
Als het idee
zich heeft genesteld, na een onherroepelijk besluit, eist de route alle
aandacht op. Hoe kom ik in Verona en hoe lang doe ik erover? Dat zijn de vragen
waar het om draait en de antwoorden variëren voorlopig van dag tot dag. En
naarmate delen van de puzzel een vaste plek krijgen, stijgt de innerlijke
overtuiging dat dit moet lukken. Want laat ik eerlijk zijn, hoe enerverend mijn
beroepsleven ook is, hoe zegenrijk de familiale omstandigheden, er gaat geen
dag voorbij zonder gedachten over de tocht, over de mogelijkheden en de moeite
die het zal kosten, en steeds veelvuldiger worden de blikken op de kaart, ook
nadat de route in grote lijnen vaststaat. Door het in gedachten inprenten van
al die rode, gele en witte weggetjes met hun aanduidingen over afstanden en
hoogteverschillen, van al die stadjes en dorpjes met eertijds onbekende namen,
wordt langzaam maar zeker het moreel gesterkt.
Zonder kaarten
gaat het niet.
De atlaskaart
levert het eerste mastershot. Hoe zal ik de potloodstreep trekken? Vanuit
Dommelen naar Verona? Of tussen twee zekere punten op de route? Een ooit bij De
Slegte gekochte kaart van Italië, Michelin 988 uit 1968, fungeert als volgend
hulpmiddel en verder de recente kaart van Duitsland, Michelin 984. Inmiddels
lees ik gretig enkele reisverslagen vanuit Nederland naar bestemmingen in
Italië, omdat zij mogelijk nuttige wenken, suggesties en waarschuwingen kunnen
bevatten. O.a. lees ik met veel sympathie en bewondering het verslag van
(oud)leerlingen van het Wartburgcollege, eindredactie Teus Westeneng, over hun
bijbels geïnspireerde reis naar Rome in 2001.
Hoe dan ook zal
ik Eijsden aandoen, dat ik als mijn eigenlijke vertrekplaats beschouw. De
kortste route gaat door Duitsland, maar is dat ook de makkelijkste? De gedachte
aan een tocht langs de Rijn om dan bij Bazel af te buigen, wordt echter snel
verlaten, want ik word gefascineerd door de ligging van Gaggenau, exact op een
van de mogelijke potloodstrepen, van Maastricht naar Bregenz aan het eind van
het Bodenmeer. In het laatste weekend van maart zal ik in Gaggenau een seminar
leiden, in de Schloßakademie Bad Rotenfels, voor de derde keer sedert ik in
1998 Duitsland voor het eerst anders leerde kennen dan als doorgangsland naar
het bootveer, op weg naar Scandinavische vakantiebestemmingen. De deelnemers
aan dat seminar zijn uit vele windstreken afkomstig, van Koblenz tot München,
maar ook uit Gaggenau zelf en als ik mijn vakantieplan bij gelegenheid
prijsgeef, volgt de hartelijke uitnodiging om te overnachten vanzelf. Zo wordt
de route gefixeerd en kunnen de detailkaarten geraadpleegd worden. Ik prijs mij
gelukkig dat de fiets- en reislust van mijn ouders tot een indrukwekkend
kaartenbestand heeft geleid, want Michelin schijnt zijn 1:200.000 kaarten voor
Duitsland te hebben opgedoekt en vervangen door Regionalkarten van 1:300.000.
Thuis in Eijsden vind ik de Michelinkaarten 203(1983) en 205(1979). Beide
kaarten sluiten diagonaal op elkaar aan en uiteindelijk brengt kaart 57, nog
van mijn Vogezenreis, de oplossing voor een ontbrekend stukje rond Pirmasens.
Dat stukje, ca. 10x15 cm, kopieer ik om geen onnodige papierballast mee te
nemen. Dat geldt ook voor de kaart die ik van een familielid meekreeg, Alto
Adige/Trentino, 1:250.000 van Kompass. Die kaart gaat niet mee, ik kopieer het
stuk vanaf Salorno. De rest van de route, met één zeer kleine uitzondering,
wordt afgedekt door de aangeschafte Michelinkaarten 216 en 218.
Welke keuzes
moesten gemaakt? Boven of beneden langs het Bodenmeer, door Oostenrijk over de
Nauderspas, of over de Timmelsjoch, of via Zwitserland? De Brennerpas, om in de
voetsporen van Goethe te blijven, ligt toch wel erg ver naar het oosten, maar
zou het niet van een verwante geesteshouding getuigen om Italië vanaf het
hoogste punt binnen te rijden? En al weet ik naar verhouding weinig van de
mythes rond de Giro d’Italia, terwijl ik toch naar horen zeggen als jongetje
door Fausto Coppi zelf gezegend werd (toen de squadra in 1948 per trein in
Valkenburg arriveerde), de naam Stelvio gaat nu als een mantra fungeren.
De route neemt
steeds resoluter vorm aan. Bijkomend gemak is dat je in bergachtig landschap
weinig te willen hebt. Om over de Stelvio te geraken als eerste kennismaking
met Italië zal ik vanuit het Zwitserse Sankta Maria de klim moeten aanvatten.
Strikt genomen betreft het de Pass Umbrail en kan ik de top van de Stelvio zelfs
links laten liggen om af te dalen naar Bormio. Wat mij vandaar tot Verona te
wachten staat, oogt echter minder ontspannend dan een verkwikkende afdaling via
het Adigedal. En ik wilde vanaf Merano toch ook een beetje met Goethe in de pas
blijven? En nog een mogelijkheid doet zich voor. Om in Sankta Maria te komen
moet ik over de Flüelapass en de Ofenpass en als straks blijkt dat die toppen
er teveel aan waren, kan ik de Stelvio ontwijken door via Müstaïr naar Glurns
af te dalen en zo het Adigedal inrijden.
Staat het
tweede gedeelte van de tocht zo goed als vast, de potloodstreep door Duitsland
baart mij meer zorgen. Indachtig de eerste étappe van de Vogezentocht, toen van
Maastricht naar Diekirch werd gefietst, moet een vergelijkbare afstand op de
eerste dag nu ook mogelijk zijn. Het zal in zekere zin een jubileum worden,
want precies vijftig jaar geleden kreeg ik mijn eerste fiets, een Tesor gekocht
bij de fa. Bouckaert op de Maastrichtse Markt, en nadat ik onder de hoede van
mijn vader het fietsen onder de knie had gekregen, beloonde hij deze prestatie
met een gezamenlijke tocht naar Monschau. Een dag heen, een dag in de omgeving
(Schwammenauelersee en Himmelsleiter staan me nog voor de geest) en een dag
terug. Ik besluit mijn fietsavontuur mede aan mijn vader op te dragen en na
vijftig jaar opnieuw een bezoek aan Monschau te brengen. De étappe vanuit
Eijsden zal dus door de Eifel gaan en ik stel mij Trier als doel. Maar dan?
Vandaar moet ik richting Gaggenau. Als ik op een zondagmiddag mij wat dieper
over de kaart buig en de ene na de andere poging start om via de kronkelende
wegen in sterk heuvelend terrein een zuidoostelijke koers aan te houden, slaat
de schrik toe. Hoeveel kilometers moet ik wel maken om hemelsbreed een paar
kaartcentimeters vooruit te komen? De Hunsrückpuzzel kost mij de meeste
hoofdbrekens, het wordt naar verwachting een zware dag straks, en even heb ik
aan de mogelijkheid van de totale onderneming getwijfeld.
Maar dan komt
de dag waarop ik aan mijzelf het rittenschema presenteer. Omdat ik rekening
houd met de behoefte aan een rustdag en met tegenslag, beperk ik de lengte van
de ritten in Italië en creëer ik bij aankomst te Verona een extra dag voor
stadsbezoek in afwachting van het vertrek ’s avonds laat. De derde étappe naar
Gaggenau gaat door relatief makkelijk terrein en is ook beperkt, zodat ik
eventueel mijn “Hunsrückdag” kan inkorten.
Hoewel ik ook
nu op de bonnefooi vertrek, lijkt het me niet onverstandig om wat gegevens over
mogelijke pleisterplaatsen en overnachtingsmogelijkheden vooraf te verzamelen
en op een minuscuul papiertje te noteren. Behalve het internet is een
interessante hulp de Bett & Bike Deutschland –uitgave van de ADFC, gekocht
tijdens de vakantiemarkt in Rétie. In de buurt van Trier kies ik een hotel in
Kordel uit als eerste overnachtingsplek. Verder noteer ik hotels in de omgeving
van Pirmasens, Tuttlingen en zelfs een hotel in het Italiaanse Naturns. Iets
minder vertrouwen heb ik in Sankta Maria. Een kleine plaats, ingeklemd tussen
de Alpen, heeft waarschijnlijk veel zomergasten bij beperkte accommodatie. En
natuurlijk moet er ook nog naar de prijs gekeken worden! Dus neem ik twee weken
voor vertrek contact op met een hotel in die plaats, noem een vermoedelijke
aankomstdatum en vraag of daar eventueel van afgeweken kan worden. Het antwoord
is geruststellend: accommodatie volop in de genoemde periode. En zo ziet het
schema er dan uit, en het geschatte aantal kilometers:
29/7 Dommelen - Eijsden 95
30/7 Eijsden – Trier 155
31/7 Trier –
Pirmasens 130
1/8 Pirmasens – Gaggenau 85
2/8 Gaggenau
– Tuttlingen 128
3/8 Tuttlingen
– Bregenz 100
4/8 Bregenz – Davos 116
5/8 Davos – Sankta Maria 70
6/8 Sankta Maria – Merano 94
7/8 Merano – Rovereto 105
8/8 Rovereto – Verona 70
Op 9 augustus
zal de bus van Cycletours pas ’s avonds laat vertrekken, zodat ik eventueel die
hele dag nog fietsend kan benutten.
Naast de
routeplanning moeten nog drie andere voorbereidingssegmenten genoemd: fysiek,
materieel en cultureel. Om met dat laatste te beginnen. Het zal in Italië op
zeker ogenblik vast van pas komen om een beetje Italiaans te begrijpen en te
spreken. En dus oefen ik aan de hand van een boekje dat een zekere kennis bij
minimale inspanning in het vooruitzicht stelt. Ik kan het iedereen aanbevelen die
toch geen kans ziet om langdurig werk te maken van een serieuze cursus. Snel en
Vlot Italiaans leren spreken en begrijpen uit de Teach yourself-serie van
Deltas vond ik een verantwoorde aanschaf, omdat het geen andere pretenties
heeft dan de lezer iets bij te brengen die zich gedurende zes weken 35 minuten
per dag wil inspannen. En ik was er content mee.
Fysiek liep de
voorbereiding volgens een vergelijkbaar schema als in 2002. Vanaf februari haalde ik op 55 dagen de racefiets van stal,
met een gemiddelde afstand van 55 km per keer. Samen iets meer dan 3000 km.
Fysieke zorgen heb ik om mijn zitvlak, dat vorige keer behoorlijk gehavend
werd. De beste resultaten geeft de broek met ingevet zeemleer, maar die wordt
zwaar in regenweer en droogt te langzaam na een wasbeurt.
Zo komen we bij
de materiële voorbereiding. Ik maak mijzelf niets wijs. Via het internet ben ik
op sites terechtgekomen die keurig in kaart gebrachte bergprofielen tonen: de
Pass Umbrail met 13,4 kilometer tegen een stijging van gemiddeld 8,7 % lijkt mij onbegonnen werk op een fiets die als kleinste versnelling
42x26 heeft. Maar wat dan? Mijn oude trouwe Eroba toch maar laten reviseren? Of
mijzelf in dit jubileumfietsjaar eindelijk belonen met een gloednieuwe fiets?
De keuze is een hartverscheurende. Niet te vroeg, pas enige weken voor mijn
vertrek, besluit ik tot de aanschaf van een Pinarello Monviso. En hoewel het
een prachtig karretje is, voel ik al vlug spijt. Het veel bredere stuur vraagt
om aanpassing, op het iets kortere frame zijn alle maten hetzelfde gebleven,
maar ik ervaar mijn fietslijf niet meer als een eenheid. Of ik uit drie delen
besta die opnieuw gecoördineerd moeten worden. En om nou te zeggen dat deze
fiets zoveel lekkerder rijdt … En de kleur bevalt me eigenlijk ook niet,
blauwpaarsroze in plaats van simpel rood. Pas als ik in Zuidlimburg voorzichtig
wat hellingen beklim om de verzetten uit te proberen, breekt voorzichtig
vertrouwen door.
Met een
voorblad 52/42/30 en achter 13/15/16/17/18/19/21/23/26 zie ik er wellicht
minder sportief uit, maar een reiziger met rugzak zal men zijn triple wel
vergeven. Het is dat een racefiets zonder groot voorblad geen gezicht is,
anders zou ik met enkel 42/30 ook content zijn geweest. Ik gebruik het grote
blad nooit! Dat heb je nodig om heel hard te gaan, maar wie zich lekker voelt
bij een trapfrequentie die varieert van 84 tot 90 omwentelingen/min, met af en
toe uitschieters naar boven, kan op het binnenblad een lekkere toursnelheid
halen.
En verder,
snelheden zijn leuk vergelijkingsmateriaal op een lokaal bekend rondje dat je
enkel voor de conditie rijdt, maar tijdens een fietsvakantie van geen enkel
belang.
Op alweer een
minuscuul in plastic gehuld papiertje neem ik een schemaatje van te gebruiken
verzetten mee, met daarachter de trapfrequentie en het erbij horende
uurgemiddelde. Voor het vlakke noteer ik 90 en 84 omwentelingen, voor het
klimmen 60 en 50. Dat levert interessante getallen op, die me wellicht helpen
om tijdens het rijden tijdig te schakelen. Zo laat het schema zien dat
A) bij
een trapfrequentie van 50/min op het verzet 42x21 even hard wordt gereden (12
½ km/u) als bij een trapfrequentie
60/min op het verzet 30x18. Maar ook dat
B) een
snelheid van 17 ½ km/u zowel wordt gehaald op 42x18 in 60 omwentelingen/min als
op 30x18 in 84 omwentelingen.
In geval A)
lijkt de hogere trapfrequentie het klimmen lichter te maken, in geval B) denk
ik dat juist de lagere frequentie krachten spaart. Deskundige suggesties op dit
punt stel ik zeer op prijs.
Beneden in het
schema wijst de laagst genoteerde trapfrequentie bij mijn kleinst mogelijke
verzet 30x26 een gemiddelde van 7,2 km/u aan. Als dat straks tijdens de
beklimming van de Umbrail de werkelijkheid is, klaar ik die berg toch nog
altijd binnen twee uur! Naar de Stelviotop zijn het dan nog drie kilometer, die
kunnen de pret niet meer drukken en dan ligt er nog een mooie fietsmiddag voor
me waarin ik zo diep mogelijk in Italië ga afdalen. Denk ik, hoop ik, verwacht
ik. En als het daar boven bliksemt en onweert?
En dan breekt
de dag van vertrek aan en vervloek ik bijna het moment waarop ik me aan die
Pinarello waagde. Een paar weken geleden verloor ik bijna een drinkbus omdat de
bout van de bidonhouder het begaf, misschien omdat deze niet lang genoeg was om
ook de onder de bidonhouder geklemde pomphouder te borgen. Definitief herstel
bleek moeilijk omdat de schroefdraad in de bus beschadigd was, maar ik had
vrede met de kleine speling. Tot de dag van vertrek. Het lichte tinkelen maakte
nerveus. Terug naar de als altijd uiterst hulpvaardige Jan van Katwijk, die
onmiddellijk besluit dat dergelijk malheur met een bidonhouder onder geen
omstandigheden geaccepteerd kon worden. Maar wat een fluitje van een cent
belooft te worden, wordt bijna een catastrofe. Nadat het tappen van nieuwe
schroefdraad is mislukt, breekt de bus af en verdwijnt in het frame en bij
beide partijen verschijnen de eerste zweetdruppels. Om kort te gaan, een half
uur later zijn de gedachten aan onvermoed hergebruik van de Eroba verdwenen.
Jan heeft het gefikst. Mijn bidonhouders zitten muurvast en terug thuis kan
gepakt worden. Het is dinsdag 29 juli.
De rugzak is
een fraai exemplaar, een blauwe C-tec, na lang zoeken op vakantie in De
Achterhoek gekocht. Wat er aan canvas riemen teveel aan is, wordt afgeknipt en
getaped. De riem met grappig knipperlampje gaat er ook af, maar het lampje zelf
neem ik mee. Je weet nooit.
Sinds mijn
Vogezenavontuur weet ik vrij nauwkeurig wat er ingepakt moet worden. En het
huishoudweegschaaltje bewijst weer zijn diensten. Als er 20 gram winst op enig
onderdeel geboekt kan worden zal ik het niet laten. Zo ziet de reiziger er bij
vertrek uit.
Een
Agu-zweetshirt
Een zwarte
Santini koersbroek
Een parelgrijs
Descente wielershirt, blauw-wit-zwart belijnd zonder verdere opdruk (want ik
verafschuw shirtreclame waarvoor je niet betaald wordt)
Descente
wielersokjes
Agu-fietsloopschoenen
Shimano-handschoentjes
Een Azzuri-pet
Mijn bril met
voorzet-zonneglazen
In de achterzak
een zwart gevoerd reisétui met daarin: een paar bankbiljetten en munten, mijn
identiteitskaart, Postbankgiropas, ANWB-Visacard, reisverzekeringsbewijs,
ticket voor de terugreis per bus, minuscule kaartjes met verzetten, adressen en
bergprofielen (Ofenpass en Pass Umbrail), verder een paar fruitrepen.
Twee bidons (Isostar
voor, Aqua als bijvuller achter)
Een Zefalpompje
Een Cateye Velo
2 computer
Een Sci-Con
zadeltasje met binnenband, bandenlichters, solutie, plakkers,
Schwalbe-spanningsmetertje, ventielverloopstuk, 3 inbussleuteltjes en een
lichtgewicht kabelslot
Een opgevouwen
Shimano-regenjack, 270 gram met klittenband aan frame (later in rugzak)
Een Agu-helm,
280 gram aan zadeltas (later aan het stuur)
In de rugzak (leeg
gewicht 550 gram).
Een extra paar
sokjes 35 gram
Een paar lichte
leren instappers (Apache) samen 390 gram
Twee slipjes
samen 100 gram
Een
lichtgewicht lange vrijetijdsbroek 275 gram
Een
Shimano-vrijetijdshemd 200 gram
Een
Shimano-fleecetruitje 185 gram
Een
Gonso-windjack 145 gram
Een toilettasje
met scheerkwast, plastic krabbertje, minitube tandpasta, tweedelige
tandenborstel, kleine plastic kokertjes met (scheer)zeep, gezichtscrême,
Natusan en zeemleercrême
De
Michelinkaarten 203, 205, 216, 218 en de twee kleine papiertjes met
kaartkopieën
Mijn gsm (90
gram) past in een vakje op de schouderband;
in andere
aparte vakken gaan nog mee:
de gsm-oplader
(60 gram), een kammetje, een tube zonnecrême, Labello, een
anti-insectenbetenstift, pleisters, een busje jodium, een schaartje, een
(reserve)sportbril,
een nylon
koordje van ca. 3 meter en 6 lichte wasknijpers,
een
Kruidvat-wegwerpcamera;
een smal
notitieboekje dat nog van mijn Vogezenreis over is, pen en potlood;
tot het gewicht
dat gedurende de reis zal afnemen behoren dan het restant SunBest fruitrepen en
een 400 gramsbus Isostar in poedervorm.
Omtrent het
meevoeren van de bagage heb ik lang getwijfeld: zou het niet aangenamer zijn de
rug te ontlasten en een bagagedrager te monteren? Op de oude Eroba zou dat een
optie zijn geweest omdat er aparte nokjes op de patten zaten om steunen aan te
bevestigen. Op mijn Pinarello zou ik eerder moeten denken aan zo’n lomp geval
dat om de zadelpen geklemd wordt. En dan is er nog het onzinnige gepieker over
de esthetiek van het geheel: is een man met rugzak op racefiets een nobeler
gestalte dan met bagage achterop?
Ik ga op weg,
met bepakking op de rug, verheugd om het nieuwe materiaal en toch met een spoor
van verraad in mijn ziel. Is dit mijn fiets? Had die ultieme tocht, gesteld dat
deze die naam verdient of het zal blijken te zijn, niet voltooid kunnen worden
op het trouwe kader dat mij al 38 jaar trouw gediend heeft? Ik laat mijn fiets
achter. Mijn Eroba blijft in Nederland. Ik ga op weg naar een land dat ik niet
ken, maar op materiaal dat er de lof van zingt.
Ik vergat iets
te melden. In mijn toilettasje bevindt zich een strip slaaptabletten, zonder
bezwaar vanmorgen door mijn huisarts verstrekt, ter geruststelling voor het
geval dat.
Na de huisarts
volgde het bezoek aan mijn fietsdealer. ’s Middags stond nog een afspraak met
de kapper op de agenda, maar die heb ik geannuleerd. Geen tijd. Mijn buurmeisje
is kapster en gisteren heeft zij mij thuis wat bijgeknipt, nek uitgeschoren
enzovoort. Een fris gevoel. Camera en zonnebrand waren de laatste inkopen. Ik
rij nog even voor een afscheid langs de werkplek van mijn oudste zoon. Thuis
krijg ik telefoon van iemand die na de vakantie een werkafspraak wil maken. Zo,
die afspraak staat in de agenda, maar nou even geen werk. Afscheid van mijn
vrouw. Tot over bijna twee weken.
Er staat een harde zuidenwind. Natuurlijk mag hij wat mij betreft gaan liggen, maar ik zal niet klagen, heb geleerd te accepteren wat zich aandient.
Op de klinkers in Valkenswaard, na amper 3 kilometer, voel ik het gewicht van de rugzak. Iets meer dan 3 kg neem ik mee, dat is toch niet veel, maar ik heb nou al een hard hoofd in de hele onderneming. Eigenlijk telt deze dag niet mee als fietsdag, vind ik. Daarvoor ben ik te laat vertrokken, half drie ’s middags, en bovendien is het traject tot Eijsden zo goed als bekend. Ik heb maar een van beide bidons gevuld. De avond zal ik bij mijn moeder doorbrengen, morgenvroeg bij het vertrek mijn vader en zus met een bloemengroet gedenken en dan ga ik voor mijn gevoel echt op reis. Nu fiets ik naar Eijsden als opwarming
Via het centrum
van Valkenswaard
gaat het richting rotonde Maastrichterweg, vandaar het kaarsrechte stuk naar
Achel. Voorbij Achel, verkeerskruispunt en spoorwegovergang naar Sint-Huibrechts-Lille.
Vlak voor het oprijden van de kanaalbrug linksaf het fietspad op en dan hoef ik
enkel de knooppuntenroute te volgen. Die heb ik voor alle zekerheid achter op
mijn verzettentabelletje geschreven. In één opzicht ga ik van de bekende route
afwijken: dit keer geen voetveer bij Uikhoven om via Geulle, Bunde en Maastricht
te rijden, of nog eerder de kanaalroute verlaten bij Dilsen-Stokkem, zoals ik
vroeger deed, om dan het veer bij Berg aan de Maas te nemen; deze keer zal ik
de kanaalroute om Maastricht heen voltooien en op Belgisch grondgebied blijven
tot voorbij Eijsden.
De volgende
routenummers zijn mijn gids: 213 – 212 – 08 – 07 – 11 – 12 –13 – 47 - 44 – 48 –
55 – 56 – 57 – 58 – 54 – 59 – 88. Vandaar naar Kanne en Caestert.
De harde wind blijft en tussen knooppunt 48 en 55 zie ik af. Bij knooppunt 55 maak ik een stop. Ik heb dan ruim 51 km gefietst, gemiddeld 26/u.
Het tweede deel
van de rit herinner ik mij als slopend.
Al die tijd heb
ik pijltjes en cijfers goed in het oog gehouden, maar bij Gellik gaat
het mis. Een bord vertelt mij dat dit de juiste richting naar camping De
Kriekaart is. Tjee, die camping ken ik! Ligt midden in de bossen, kan niet de
bedoeling zijn. En zo leg ik de eerste omrijd-kilometers af. Terug op het goede
pad gaat het nu naar Veldwezelt. Daar verandert het fietspad in een
echte kasseistrook. In een afdalinkje van die strook rij ik onder dicht
gebladerte een moddergoot in. Ik heb er wel schik in, dit is een parcours dat
je eerder in Parijs-Roubaix verwacht. De weersvoorspellingen zijn niet gunstig,
maar op dit moment van de dag breekt de zon stekend door en wanneer ik bij
knooppunt 80 met een pittige stijging en harde wind wordt geconfronteerd,
verwens ik mijn kortzichtigheid om maar één gevulde bidon mee te nemen. Ik neem
een foto bij een brug over het Albertkanaal omdat het uitzicht op de kalkrotswanden
en het vergezicht daarachter zo buitenlands aandoet. Over glooiende weg naar Neerkanne.
Daar vraag ik de weg om weer op het goede kanaalpad richting Eijsden te komen.
Frans is hier de voertaal en Eijsden heeft voor sommigen geen bekende klank.
Dat herinnert mij aan de waarschuwing van mijn mentor, die nu ergens in
Zuid-Frankrijk fietst, om nooit de weg te vragen, om de simpele reden dat men
die niet weet! De fietser met zijn zorgvuldige kaartstudie vooraf en tijdens de
reis is de autochtoon in wegenkennis de baas! Maar van dit stukje heb ik geen
kaart! De dorst wordt onderhand kwellend en op het lange stuk kanaalfietspad
richting Lixhe kom ik helemaal stuk te zitten.
Rij ik niet te
ver? Had ik niet allang ergens van dit pad af gemoeten? Eindelijk kom ik bij
het brugcomplex, vanwaar ik via scherpe bochten richting Caestert rijd,
waar de Maas Nederland binnenstroomt. Hier ken ik de weg weer van het dorp,
waar ik gewoond heb.
Als ik thuis
bij mijn moeder de computer raadpleeg, blijkt de afstand ondanks 2 km omrijden
mee te vallen (of beter tegen te vallen)
Gisteravond was
het nog heerlijk weer. Na wielerwas en douche met mijn moeder gegeten buiten
bij Café-Restaurant La Meuse, lasagna met salade en een halve liter bier,
daarna nog een expositie bezocht met werk van een schilderende zus. Maar ik was
te moe om echte aandacht voor haar kleurrijke resultaat te hebben. Mijn ogen
vielen zowat dicht. Eenmaal in bed wilde de slaap echter niet komen.
THEMA’S ALS
VROEG INTERMEZZO
Dit is de goede
plek om een aantal ervaringen thematisch te behandelen, om niet telkens in
details te vervallen.
Thema een. Elke
fietsdag eindigt met de onmiddellijke zorg voor materiaal en lichaam. Zodra de
overnachtingsplek vaststaat, gaat de eerste zorg uit naar het veilig bewaren
van de fiets. Op de kamer aangekomen volgt de wasbeurt van de bezwete en
doorweekte kleding. Als wasmiddel volstaat meestal wat de kamer aan extra zeep
(shampoo, douchegel, alles is goed) te bieden heeft. Waar dergelijke middelen
ontbreken, vraag ik eenvoudig naar waspoeder uit de waskeuken van het hotel. Na
het wassen, uitspoelen en in een handdoek uitwringen van het lichte
sneldrogende goed breekt een spannend moment aan: van welke schroef tot welk
scharnier, van welke stang tot welke deurknop ga ik mijn koordje spannen om de
was aan op te hangen? Zoveel kamers, zoveel manieren. Als de was hangt, is de man zelf aan de beurt. Lekker douchen,
herboren worden. Als de vrijetijdskleding is aangeschoten ziet niemand nog een
fietstoerist in me en kan ik me in elke gelegenheid vertonen. Nu nog de
inwendige mens. De maaltijd wordt besteld, maar voor deze wordt opgediend is
daar eerst het koele bier. Ziehier het ritueel van elke dag, inclusief het meest
intense genot. Die slok bier, mensen! Als die eerste slok naar binnen klokt,
weet je pas waarvoor je dit allemaal doet. Vaak gaan mijn gedachten dan terug
naar dat Bière d’Alsace, nu acht jaar geleden.
Tijdens en na
de maaltijd is er enkel stille mijmering, het dankbaar in je opnemen van die
nieuwe omgeving die op eigen kracht bereikt werd en je geheel daaraan
overgeven.
Thema twee is
vanuit het hiervoor geschetste perspectief niet goed verklaarbaar. De grote
innerlijke vrede zou toch moeten leiden tot een onbekommerde diepe slaap. En
hoe vaak ik daar ook op vertrouw, in mijn dagelijks bestaan slaap ik
voortreffelijk, ik word telkens weer verrast door het uitblijven daarvan. Zo
rond half twee in de nacht is het dan welletjes en breek ik een slaaptablet doormidden.
Dat halve tablet blijkt voldoende om in te slapen en toch met een fit gevoel
wakker te worden. Zo ging het tien dagen achtereen tot en met de busreis terug.
Thema drie. De
gemiddelde snelheid. Reed ik langs het overbekende kanaalfietspad nog een
stevig gemiddelde tegen harde wind in, de komende dagen wordt dit begrip een
lachertje. De wind blijft uit het zuiden waaien, de eerste vier dagen van hard
afzwakkend tot matig, daarna slaat vooral de hitte toe. De meest funeste
invloed op het fietstempo heeft het kaartlezen. Vooraf heb je de route in je
hoofd geprent, maar onderweg doen zich zo onnoemelijk veel twijfelgevallen
voor, of je laat je verleiden speciale fietspaden te volgen, of de situatie ter
plekke dwingt je tot keuzes die je niet had voorzien, dat het scenario:
afstappen, rugzak afleggen, kaart raadplegen, kaart wegstoppen, rugzak
omhangen, opstappen soms vier keer binnen een kilometer herhaald wordt. En als
dat scenario eenmaal in gang is gezet, weet je van jezelf dat je ontzettend aan
het klooien bent en dat de vaart er die dag niet meer echt lekker in komt. Zo
ging het gelukkig niét elke dag.
Einde
intermezzo.
Na driekwart
slaaptablet vol goede moed ontwaakt. Buiten plenst de regen neer. Als de ergste
bui voorbij lijkt, heeft langer wachten geen zin meer. Ik moet tenslotte naar
Kordel. Kordel ligt noordelijk van Trier, en aan de goede route in
zuidoostelijke richting. Omdat ik een paar jaar geleden met mijn vrouw een
geweldig weekend in Trier doorbracht, ga ik aan die stad nu met een gerust hart
voorbij. In Kordel heb ik alvast een hotel geboekt. Het is ver, maar ik heb met
mezelf afgesproken dat ik daar aan zal komen, al is het op mijn tandvlees.
De reis begint
in volledig regentenue. Twee foto’s besteed ik aan de rustplaatsen van mijn dierbaren.
De opnamen blijken later volledig mislukt, zo donker is het buiten. Na deze
piëteitvolle handelingen, een afsmeken van zegen over deze reis, rij ik naar de
grens met België. Hier eindigt de geneutraliseerde zone en zet ik de teller op
0.
De rugzak voelt goed.
De route gaat
van Withuis via Berneau en Warsage naar Henri-Chapelle.
Ik kende de hellingen in de Voerstreek van mijn reis verleden jaar, maar ze
duren toch knap lang, vooral die bij Welkenraedt.
Het weer blijft
triest. Een vuilniswagen in de regen zorgt voor een somber decor. Van Welkenraedt
gaat het naar Membach en vandaar via een smalle binnenweg naar Eupen.
Over een spekgladde rotonde in de verregende binnenstad kom ik op de weg naar
Monschau. Een lange klim, maar toch minder steil dan de weg naar de Baraque
Michel. Op deze weg heb ik dus vijftig jaar geleden met mijn vader gefietst! En
sinds die tijd is er niets meer aan het wegdek gedaan! Mijn God, wat is dit een
rampzalig plaveisel. Dit lijkt de DDR van tien jaar geleden, alsof oorlogstanks
de boel hebben stukgereden.
Na 2 uur 28
minuten ben ik in Monschau. Ik heb 52 ½ km gefietst, gemiddeld 21,1.
De binnenstad
is ondanks de neerdalende regen druk. Vandaag geen bezoek aan de burchtruïne
die historisch met mijn vaderstad verbonden is (graaf Walram van Montjoie
verleende Sittard stadsrecht in 1243). Als ik aan een inwoner vraag of Monschau
nog een Hotel Zum Stern rijk is, complimenteert hij mij met mijn keuze: “eine
gute Adresse” en wijst mij de weg. In 1953 koos mijn vader dit hotel uit en
daar ligt het of er niets veranderd is. Ik maak een foto. De smalle
smeedijzeren brug over het water (is dit de Schwalm?), de gelagkamer, de
trappen naar de achtergelegen kamers en toiletten, alles is onveranderd gebleven,
denk ik, want hoe nauwkeurig is mijn herinnering? “Wo willst du hin?” hoor ik
de roodharige dame vragen als ik over de rode cocosloper naar mijn kamer ren.
“Even mein vesje holen” antwoord ik lang geleden. De roodharige dame is er niet
meer, wel vriendelijke andere dames bij wie ik een Strammer Max met koffie
bestel. Met verkleumde vingers noteer ik de reisgegevens in mijn boekje. Mijn
regenkleding heb ik uitgetrokken, maar daaronder ben ik doornat en ik ril van
de kou. Bij het weggaan vergeet ik bijna mijn helm. Als ik mijn fietsslot
verwijder (altijd de fiets binnen oogbereik houden) kom ik in contact met twee
dames die ook naar binnen willen. Gedurende dit uiterst korte onderhoud, waarin
ik naar de weg naar Höfen vraag, komt als terloops mijn reisdoel ter sprake.
Italië? De blonde dame werpt een niet-begrijpende blik op mijn rugzak. Haar
dochter heeft ook plannen voor een fietstocht naar het zuiden, maar de minimale
bagage die ik bij me heb, lijkt haar geen te adviseren oplossing: “Nein, das
ist zu wenig”.
Vanuit Monschau
volgt een steile klim naar Höfen. Ik volg de weg richting Schleiden. Bij
Wahlerscheid sla ik rechtsaf op een mistroostige driesprong. Door het
bos België in, naar Rocherath en vandaar naar Murrange. Korte
klimmetjes. Even een pauze onder een boerenafdak om mijn brillenglazen droog te
wrijven. Maar waarmee? Als ik via een binnenweggetje op de N32 ben aangekomen,
deert de regen mij al niet meer en verheug ik me op een poosje lekker
opschieten. Gehuchtjes heten hier Losheimergraben, Losheim en Kehr.
Weer terug in Duitsland. Mooshaus, Knaufspesch. Een van de
sensaties van reizen is de ongelooflijke ervaring dat al die namen op de kaart
een pendant in de werkelijkheid hebben en op de fiets ervaar je dat naar mijn
smaak beter dan in de auto.
De stad Prüm
dient zich aan na een lekkere afdaling, dat wordt straks weer klimmen. Uit
solidariteit met Monschau begroet ook Prüm mij met stromende regen.
Ik heb nu 4 uur en drie kwartier gefietst in totaal, de teller staat op 103,6. Het gemiddelde is nu 21,7.
Het is al vier
uur in de middag. Ook hier vakantiedrukte in een mooi Eifelstadje. Een centraal
gelegen restaurant heeft een groot terras waar de bezoekers zich onder de
parasols verdringen. Daar zet ik mijn fiets op slot en bestel koffie met
Apfelstrudel. En zoek een andere plek. De regen drupt overal doorheen. Een
dienstertje weet te vertellen dat de parasols pas nieuw zijn, maar de naden
zijn niet waterdicht en ze gaan er de verzekering op aanspreken. Ook mét
waterdichte naden is het hier geen pretje. De regen komt nu werkelijk met
bakken naar beneden. Dit is geen doen meer. Ik vlucht naar binnen, waar alle
plaatsen bezet zijn en nuttig de strudel bij een raam met uitzicht op de fiets.
Kordel is wat de resterende afstand betreft een alleszins aanvaardbaar
reisdoel, maar onder deze omstandigheden valt aan fietsen niet te denken.
En dan, na ruim zeven uur op de fiets doorgebracht te hebben, is de eerste étappe achter de rug en wacht na de was en de douche een gedekte tafel in Hotel Neyses. Heerlijk, dat glas Köstritzer. Het menu: Hirschragout met room, Preiselbeeren, rode kool met appel en zelfgemaakte Spätzle vormt de culinaire beloning voor een fietsdag die opnieuw beleefd wordt.
Toen de hoospartij weer was overgegaan in de regen van de dag, bleek de Apfelstrudel voldoende brandstof om de steile klim aan te vatten en Prüm in zijn regendal achter te laten.
Vlak na Prüm,
om 16.55 uur, breekt bij Giesdorf de zon door. De wind is gaan liggen.
Ik geniet van het landschap. Om in Bitburg te komen verlaat ik bij Schönecken
de E42 en sla linksaf richting Seiwerath. Van de twee mogelijkheden om
linksaf te gaan kies ik de eerste; deze weg gaat richting Hersdorf, maar moet
bij een kruising verlaten worden. Bij de veronderstelde kruising aangekomen,
blijkt de weg rechtsaf langs een steile helling naar een boerderij te voeren.
Asfalt maakt plaats voor grind. Vlak bij de boerderij, waar de helling het
steilst is, verandert het grind in een graspad met twee betonnen stroken. Ik
probeer op mijn te groot verzet het evenwicht te bewaren, maar moet er
tenslotte aan geloven. Vijftig meter voor de boerderij moet ik van de fiets, de
enige keer dat me dit tijdens de reis overkomt. Zoals ik gehoopt had, blijkt
het pad langs de boerderij door te lopen en uit te komen op de weg naar
Seiwerath. Over geaccidenteerd terrein gaat het nu: Neustrassburg, Balesfeld
en Staftselstein. Een paar kilometer vóór Bitburg verbreedt de weg zich;
hier worden fietsers via een brede bocht naar de oude straatweg geleid. Van Bitburg
maak ik niet veel werk. De aanblik van de beroemde brouwerij geeft mij het
gevoel een afgezant te zijn met betrouwbare geloofspapieren (in mijn woonplaats
kunnen ze er ook wat van!) Verder oogt het winkelcentrum saai en het
industriegebied ten zuiden van deze plaats saai en grauw. Na de spoorwegbrug
die betere tijden moet hebben gekend, begint de kaarsrechte licht stijgende weg
naar Trier. Van de spoorbrug tot Helenenberg is het 12 kilometer. Hier
moet ik linksaf. Een sierlijke kapel markeert dit punt en ik waag er de tweede
foto van de dag aan. Via Welschbillig, waar het even zoeken is omdat
Kordel nergens vermeld wordt, kom ik op een bochtige weg in bosrijk gebied. De
laatste kilometers zijn dalend en dat is wel zo lekker.
Aan tafel tel
ik al mijn zegeningen. Gisteren kreeg ik last van mijn zitvlak, maar vandaag
gaat het redelijk goed, misschien de invloed van de temperatuur. De rugzak
voelt steeds vertrouwder, valt best mee. En twee gevulde bidons in plaats van
één bleek ook geen gek idee.
Hotel Neyses
was op mijn komst voorbereid. De ontvangst was hartelijk en behulpzaam. Oude
kranten gekregen om in mijn doorweekte schoenen te stoppen. En dan te bedenken
dat ik op enig moment getwijfeld heb om die instappers mee te nemen vanwege hun
gewicht! Maar naast alle euforie over het uiteindelijke welslagen van deze dag
is er ook een domper. Als ik het thuisfront wil bellen, blijkt mijn gsm door de
regen onklaar. Heb ik dat dure ding aangeschaft voor juist dit soort
gelegenheden, doet-ie het niet!
Het is een
spijtige constatering dat de regen op veel plekken is doorgesijpeld: door mijn
regenjas heen is mijn reisétui in de achterzak doornat geworden: geld,
reisbiljet en andere papieren worden te drogen gehangen.
Het thuisfront
bereik ik met de telefoon in de hotelkamer.
Na de maaltijd,
koffie buiten op het terras. Hier bewijst mijn fleecetrui goede dienst in de
avondkoelte. Een korte wandeling door Kordel geeft de indruk van een aangenaam
dorp. Op veel plaatsen staan de mensen voor hun huizen om in de vallende
duisternis een praatje met de buren en voorbijgangers te maken.
Vlak voor het
slapen gaan nog even naar het weerbericht geluisterd. Na de zware regens van
vandaag klaart het morgen overal op. Onweer met regenbuien worden enkel
verwacht in de richting Kaiserslautern. Mooi, precies in die richting gaat mijn
reis.
De slotcijfers:
Uitgaven op
deze dag:
Koffie met
Strammer Max in Monschau € 10
Koffie met
Apfelstrudel in Prüm - 4,50
Vandaag ga ik
laat op weg. Het is al kwart over tien. Dat heeft ook te maken met het verblijf
in Gaggenau: de hartelijke ontvangst, de gesprekken over zo uiteenlopende
onderwerpen, zij vormden een onderbreking van het fietsritueel van elke dag en
hoe aangenaam het gezelschap van anderen ook is, ook dit vergt energie.
De laatste
vriendendienst die ik ontvang is de raad om de Tour de Murg te volgen, een
fietspad dat langs de oevers van de Murg tot voorbij Baiersbronn voert.
De Murg zal me
heugen, vanwege de richtingwijzers met “Tour de Murg”, het wisselende wegdek,
de grillige lussen waarmee het pad zich van de rivier verwijdert en de
concentratie die dit vereist, maar vooral vanwege de schitterende uitzichten en
pittoreske plekjes. Een markant punt is de voormalige grenspost
Baden-Württemberg: naast een houten bruggetje staat een antiek houten
wapenschild en ernaast stroomt bronwater in een bassin. Ik aarzel niet om met
dit water mijn bidon te vullen. Bij een ander punt maak ik een foto van een
overdekte brug die de oevers van de Murg verbindt. Van de dorpjes aan de 462
vang ik slechts glimpen op. Opschieten is er met dit fietspad niet bij:
aanvankelijk geasfalteerd gaat het grootste deel over een bodem van grind. Ook
vandaag waait een stevige tegenwind. In Klosterreichenbach zoek ik na de
kerk in het centrum naar de weg die op mijn kaart als “route interdite” staat
aangegeven en die me naar de 294 moet brengen, op weg naar Freudenstadt. Als ik
de weg gevonden denk te hebben, voert de stevige klim me enkel naar de
hooggelegen buitenwijken van Baiersbronn om weer naar dit plaatsje af te
dalen. Dan vind ik het tijd voor een rustpauze. Ik ben al bijna tweeënhalf uur
onderweg en heb pas 48 km afgelegd, gemiddeld 19,8/u. Bij een lieve oma die een
bakkerswinkeltje annex lunchroom bestiert, drink ik koffie met appelgebak.
Op naar de
eerste stempelpost van vandaag: Freudenstadt. Mensenlief, wat een helling.
Gelukkig begin ik me na een slap begin vanochtend sterker te voelen, mijn
zitvlak houdt zich prima en de wat langere hellingen in deze uitlopers van het
Schwarzwald liggen me beter dan het venijn in de Hunsrück. Omdat ik vlak voor Freudenstadt
al gepauzeerd heb, moet ik maar vlug door deze stad op een kruispunt van wegen
zien te geraken en de maaltijd elders nuttigen. Nu kom ik wel op de 492
terecht. Ik volg deze weg tot Loßburg, sla daar linksaf richting
Dornhan, dat ik via een geaccidenteerde route bereik via slaperige dorpjes als Walde
en Betzweiler. Dat ik ook Busenweiler aandeed, was de zoveelste
vergissing die me op een klim extra kwam te staan. Intussen heb ik het bos,
waar ik de hele dag al in vertoef, verlaten en rijd ik door een open
boerenlandschap. Van Dornhan mag ik iets verwachten, een plaats met een
“Stadtmitte”. Een klein supermarktje aan een plein, ik koop er een paar
perziken, er tegenover een uitgestorven café. Er zal toch ergens een
eetgelegenheid zijn? Een ingezetene die op dit uur van de dag de hitte
trotseert, denkt dat ik mijn heil het best kan zoeken in het sportcafé en
stuurt mij in de richting Marschalkenzimmern. Ik hecht nauwelijks betekenis aan
wat hij zegt, ik zie wel wat zich aandient. En er dient zich een kilometer of
wat buiten de Stadtmitte een fraai voetbalcomplex met kantine aan.
Hier maar eens
binnen kijken en jawel, hier verblijft een gemêleerd gezelschap van pauzerende
sportmensen, dorpse bobo’s, verstokte supporters en vrouwelijke fans en voor
hen allen is de bierkraan in werking gezet en worden in de keuken maaltijden
bereid. De vlotte serveerster zet in een mum van tijd een Flammkuchen op tafel
en ik neem er mineraalwater bij. Als ik nog aan mijn Flammkuchen, een soort
ham/kaas/aardappelpizza, bezig ben, stapt mijn gids uit Dornhan de kantine
binnen, begroet mij met een innemend blijk van herkenning. Hier is meer te
beleven dan in de Stadtmitte en ik krijg een vermoeden van een sociaal leven
dat zich geheel rond de Sportverein afspeelt. Hoewel op dit ogenblik de
competitie stilligt, zijn de hoofden vol gedachten over het nieuwe seizoen. Op
tv is een live reportage van een wedstrijd uit de voorronde om de DFB-Pokal.
Enkele jongelui verdwijnen bezweet in kleedkamers. Hebben ze buiten aan
looptraining gedaan of is er hier een krachthonk? De enige oudere die buiten
werkt, is de terreinknecht. Met grote zorg kalkt hij de lijnen rond het veld,
terwijl vanaf het terras en vanachter de kantineramen wordt toegekeken. Hier
zitten ze allemaal bij elkaar, de dikbuikige trainer van de A-jeugd, de
pedofiele clubsecretaris, de tv-kijkende spits van het tweede, de bardame
voorziet hen van grote kelken bier en samen zweren zij trouw tot in de dood aan
Blau und Weiss. Ik neem mij voor om bij thuiskomst uit te zoeken op welk niveau
de Fc Dornhan opereert en hoe de club ervoor staat.
Ik heb er ruim
75 km opzitten, gemiddeld 20.0, en ik maak notities in mijn boekje. Hier tussen
Dornhan en Marschalkenzimmern noteer ik hoe tijd verloren gaat met afstappen,
kaart kijken, route controleren, terugrijden enz., hoe eenzaam deze onderneming
is en hoe zij juist daaraan de intensiteit van de waarneming dankt.
O ja, ik
begrijp niet hoe zoiets kan, maar afgezien van de fietsers die voorbijrijden
als ik zoals nu pauzeer, ben ik sinds Dommelen nog door niemand voorbijgereden.
Om 20.45 uur
kan ik niet instaan voor de gevolgen. Voor mij staat een glas ouzo, want
Gasthof Engel in Tuttlingen wordt door Grieken uitgebaat. Het terras zit
mudjevol en alles en iedereen puft onder de zomerse avondhitte. Maar wat ben ik
blij dat ik hier zit en niet heb toegegeven aan de aanvechting om even voor
Tuttlingen logies te boeken. In het plaatsje Rietheim had ik er genoeg van, maar
de aanblik van het eenzame hotelletje vol fietstouristen op het terras deed me
besluiten toch maar verder te gaan en het magische punt Tuttlingen op te
zoeken. Tuttlingen ligt in het ontbrekende rechthoekje dat Michelinkaarten 205
en 216 van elkaar scheidt. Ik vertrouw erop dat die stad ergens ligt en dat ik
vandaar op een nieuwe kaart terechtkom.
De ouzo gaat
erin en ik noteer wat er sinds het sportcafé de moeite waard bleek.
Goed opletten
bij diverse wegsplitsingen bracht mij via Marschalkenzimmern naar Hochmössingen
en Lindenhof, waarna een actie volgde die mijn thuisfront niet graag had
aanschouwd. De afdaling naar Oberndorf zat vol gemene bochten en op dit
gebied heb ik nog veel te leren. Hoe zit het ook weer? denk ik dan. Druk op het
voorwiel houden, remmen voor de bocht, in de bocht loslaten. Ja, maar wat als
die bocht maar blijft aanhouden en je met teveel snelheid erin bent gegaan?
Bijremmen in de bocht durf ik niet, dan maar op snelheid erdoor, en intussen
toch doodsangst uitstaan. En natuurlijk had ik beter mijn helm kunnen opzetten,
maar wist ik dat het hier zo steil daalde…
… het zal me
nog twee keer overkomen, en als het woord doodsangst wat overdreven is, dan
past dat toch aardig bij een andere situatie die niets met dalen te maken had,
maar daarover later.
Dalen en weer
klimmen. Langs Altoberndorf, Epfendorf, Talhausen en Villingendorf
naar Rottweil. De straat die ik binnenrijd maakt zo’n indruk op me door
zijn historische geveltjes, dat ik er een foto voor over heb. Die had ik beter
kunnen bewaren voor een volgend moment, want na een paar honderd meter komt de
kronkelende straat uit op een machtig marktplein dat afloopt in een brede
avenue. Hier trakteer ik mezelf op een ice-tea en geniet van een
niet-te-geloven-plaatje. Het historische karakter van Rottweil doorgronden (16e
eeuw, later, nog vroeger?), is niet mijn eerste impuls, maar de wijze waarop
deze stadskern gerestaureerd werd, waarbij de kleurenpracht van de beschilderde
gevels meteen opvalt, fascineert. Hier zou ik een intermezzo kunnen wijden aan
de paradox van het genieten, maar ik laat het bij deze vraag: hoe komt het dat
ik onderweg geringe belangstelling heb voor zaken die mij in andere
omstandigheden hevig kunnen interesseren? Ik denk dat de fietser zichzelf
doelen stelt die in fietstermen gevat en door de benen verwezenlijkt worden en
dat daar alle aandacht naar uitgaat. Verrassende ontmoetingen met zoals vandaag
historisch stedenschoon (ik denk ook aan Rastatt) roepen dilemma’s op. Wanneer
er dus in dit verslag sprake is van slome, slaperige, suffe dorpjes, erken ik
daar in feite hun weldadigheid mee. Godzijdank schreeuwt niet elke vlek om
aandacht, en bepaal je meestal zelf wat in zijn schijnbare onbeduidendheid een
extra blik waard is.
Na Rottweil
begint het laatste stuk van deze etappe. Het is nog 30 km naar Tuttlingen.
Eerst over de avenue naar Altstadt beneden. Een fraai aangelegd fietspad
gaat in de richting Neufra/Tuttlingen. Dat is aanlokkelijker dan het blijven
volgen van de provinciale weg die over Spaichingen loopt. Veel skeelers op het
fietspad. Maar rechttoe, rechtaan gaat het hier niet. Maak ik niet teveel
kilometers? Ik begin er een beetje door te zitten en word zowaar nijdig. Waarom
heeft die verdomde wind al die dagen nog niet één keer in mijn voordeel geblazen?
Bijna wordt Rietheim mij fataal. Maar dan, via drukke wegen, kom ik
eindelijk in Tuttlingen, stad aan de Donau, zo blijkt. Na wat rondrijden in het
centrum, en hotels aan de buitenzijde geïnspecteerd te hebben, vraag ik een
oudere dame om advies. Op mijn namenkaartje staan wat hotels, destijds alvast
via internet genoteerd. Het wordt “Rössle”.
Als ik er
binnen ben gestapt, met als eerste bekommernis het veilig stallen van de fiets,
heb ik al meteen spijt. De fiets kan in de garage honderd meter verder. De
jongen die mij erheen brengt, rijdt de auto van zijn vader weg en wijst mij de
lege plek in de verder o zo lege garage. Hij laat mij alleen en gaat terug naar
het hotel. Waarom zou hij zijn vaders auto moeten wegrijden? Maar meer nog, al
is dit ook een garage waar je enkel met een pasje binnenkomt, het blijft toch
voor anderen toegankelijk gebied. Had ik toch maar dat ene hotel genomen dat
weliswaar een stuk duurder was en ik overweeg om de garage weer met fiets te
verlaten en in het geheel niet naar Rössle terug te keren. Vervolgens verwerp
ik die gedachte, waarom zo wantrouwig, ik heb a gezegd, dus laat ik het
avontuur vervolgen. De jongen die me
hielp, runt het hotel met andere broers, allen van buitenlandse afkomst. Ik
vermoed Italiaans, maar op mijn vraag antwoorden zij dat ze uit Turkije komen.
Het hotel is uiterst eenvoudig, de wc bevindt zich op de étage-overloop, maar
in de kamer is wel een douchecabine aangebracht. Ik vind alles wat ik nodig heb
en prijs me opnieuw gelukkig. Beneden in het restaurantgedeelte zitten mannen
te keuvelen en te kaarten en als ik heb vastgesteld dat de keukenchef niet
beledigd is als ik de maaltijd elders gebruik, kuier ik avondlijk Tuttlingen
in, met een hotelsleutel op zak: een nog ongekende sensatie.
Het is er gezellig
luidruchtig. Veel buitenlanders, Grieken en Turken vooral.
Het verblijf op het terras bij Engel komt met
stip op de lijst zalige genietingen. Onder de ouzo arriveert de tomatensoep,
samen met een halve liter Zwickel im Krug. Na zo’n dag de eerste slok bier, wat
een feest. Heerlijke lamsbout, voortreffelijke bediening. Twee euro fooi zijn
op hun plaats. Maar tussen de happen door moet er ook nog genoteerd. Een
spannend dagelijks ritueel voltrekt zich: your votes please! En de computer
geeft de totaaluitslag van vandaag. Wel wat omgereden, maar alles bijeen gaat
het toch gesmeerd. Als ik na het eten een wandeling langs de oevers van de
Donau maak en mijn hand in het lauwe water steek, denk ik terug aan al die
momenten die achter mij liggen en de dankbaarheid om zoveel voorspoed
emotioneert me.
Uitgaven op
deze dag:
Koffie met
appelgebak in Baiersbronn € 4,-
Perziken in
Dornhan - 0,59
Flammkuchen met
Wasser in sportkantine - 6,-
Ice-tea in
Rottweil - 2,-
Maaltijd
Gasthof Engel Tuttlingen -
17,50
(als ik deze woorden typ zijn we een halfjaar verder en voor me ligt een advertentie in De Kampioen, maart 2004, bladzijde 56: Fietst u mee? Rondje Bodensee. In witte letters over een foto van een prachtig landschap, diepblauw meer en besneeuwde bergtoppen op de achtergrond. Die toppen staan net niet op mijn foto, ze liggen ook niet achter me. Ik moet die dag wel erg slecht uit mijn doppen hebben gekeken, anders had ik vast ook wel zo’n foto van de Bodensee gemaakt. In elk geval een manier om klanten te werven. Marketing heet dat.)
Omdat mijn bus
Isostar sinds gisteren leeg is, heb ik twee liter water gekocht.
Het fietspad
langs de Bodensee biedt aanvankelijk een fraai uitzicht, glooit wat op en neer,
gaat van asfalt over op grind en vice versa en wordt steeds drukker.
In Unteruhldingen
heb ik ruim 53 km gefietst, gemiddeld 23,1. Even pauze. Dicht bij de oever en
een aanlegsteiger zingt een visserskoor op dit zonnige lunchuur. Zeker honderd
toehoorders luisteren naar hun repertoire. Ik vang op “Ja, wir sind Kerle – und
wir trinken –“ enzovoort. Zij heten de Bodensee Shantymen. Voor de eerste keer hoor ik Nederlands
praten. Een gezin uit Roosendaal is in de buurt op vakantie en maakt er vandaag
ook een fietsdag van.
Als het koor is
uitgezongen, stap ik op en begeef me weer in het gedrang. Rond Meersburg,
waar dranghekken staan en ook gemusiceerd wordt, is het helemaal een
gekkenhuis: Valkenburg aan de Bodensee. Ik wurm me langs hele gezinnen op de
fiets, gezinnen die elkaar passeren op het smalle pad, dat ook nog eens in
beslag wordt genomen door vaders die hun kinderen in bolderkarretjes
voortzeulen, door zwemmers die met hun surfplanken her en der het pad
oversteken naar het meer, er is kortom geen doorkomen aan. En vraag me niet hoe
het mogelijk is dat iemand die in zuidoostelijke richting links langs het
Bodenmeer fietst, erin slaagt om het volgende moment noordwest te koersen. Mij
overkwam het in Hagnau, waar het fietspad in een doodlopende landweg
veranderde. Mijn gewoonte om in dit soort gevallen meteen de kaart te
raadplegen, werd weer eens afgestraft, want ik kreeg meteen assistentie van een
struise dame op leeftijd die wenste te weten in welke richting het ging. Op
mijn antwoord “Bregenz” kreeg haar blik iets wazigs, kennelijk achtte zij dit
de gedachte van een gestoorde, en alsof zij mij niet gehoord had, schotelde zij
mij een keuzemenu voor met plaatsjes die ik op de kaart poogde te ontwaren. Dit
wekte weer haar ongeduld en een zekere achterdocht: een volwassen man die een kaart
raadpleegt, maar kennelijk niet in staat is zijn reisdoel begrijpelijk te
formuleren. Eenmaal van haar verlost, liet mijn richtinggevoel mij in de steek
en koos ik in Hagnau, bij een splitsing zonder zicht op het water, de
verkeerde afslag en kwam ik bekende gezinnen tegen. Omkeren en vol vooruit,
tempo maken waar het kan en opnieuw mijn weg zoeken tussen de wandelaars die nu
links en rechts in de berm geparkeerde auto’s uitladen, daarmee het pad nog
smaller makend dan het al is. Als ik even later mijn fietsbel gebruik om twee
oude vrouwtjes te waarschuwen, omdat zij zo gezellig het midden houden, word ik
getrakteerd op puur volkstheater, een fysiek schouwspel zonder weerga. De
vrouwtjes verstijven, wenden hun hoofden, strekken hun armen, sperren hun monden,
vliegen elk naar een kant van de weg en weer terug naar het midden, vallen
bijna, staan weer recht, springen en botsen tegen elkaar en staan dan stokstil. Een striptekenaar zou er een
pagina voor nodig hebben. Tijdens dit optreden heb ik vol in de remmen
geknepen, ben op tijd tot stilstand gekomen en kan van nabij de bezinning
gadeslaan die hen in staat stelt de weg voor me vrij te maken. Als ik voorbij
rijd voel ik het heilige kruis dat zij deze duivel nageven, die zo hardvochtig
hun zondagsrust verstoord heeft. Ik houd het voor gezien, verlaat het
toeristische pad en neem de rustige hoofdverkeersweg. Tijd voor een intermezzo.
KLEINE
PSYCHOLOGIE VAN DE KOUDE GROND OMTRENT HET PASSEREN VAN DE MEDEMENS
Talloos veel
verhalen doen de ronde over het onbeschofte rijgedrag van lieden die zich op
een racefiets voortbewegen. Vooral als zij zich in een groep bevinden, vormen
zij een meute barbaren die God noch gebod kent. En dan te bedenken dat deze
egocentrische horde het rijwiel vooral benut om te relaxen na een week van
opgekropte woede in hun BMW’s en Alfa Romeo’s.
Het
waarheidsgehalte van deze verhalen mag net zo betwijfeld worden als de
klaagzang die de snelle mannen plegen aan te heffen, als het om het gedeeld
gebruik van het fietspad gaat. Een objectief standpunt lijkt uitgesloten omdat
men nu eenmaal partij is, en net zoals rokers en niet-rokers er nooit
eensgezinde opvattingen op na zullen houden, zo zal er altijd verschil van
inzicht bestaan tussen hen die op het fietspad ingehaald worden en degenen die
daarvoor de verantwoording dragen. Hier volgt mijn eigen ervaring samengevat.
De basis van
alle verkeer is burgerlijk fatsoen. Regels bestaan er voor onze bestwil en om
ons van dienst te zijn. En tenslotte hebben we ook nog iets aan gezond verstand
en simpel inzicht. De combinatie van fatsoen en inzicht maakt onder meer
duidelijk of wij voor de medeburger betrouwbare weggebruikers zijn. Voor wie
dit van zichzelf niet weet, vormt het fietspad, liefst op zondag, een leerzaam
oefenterrein. De situatie is als volgt:
twee bejaarde
echtelieden rijden nietsvermoedend naast elkaar. De gemiddelde snelheid van een
medefietser die achter hen in dezelfde richting rijdt is groter. Conclusie: het
echtpaar wordt op enig moment ingehaald. Om de complicaties van deze op handen
zijnde situatie de baas te blijven, volstaan twee eenvoudige richtlijnen. 1) De
inhaler geeft met een belsignaal te kennen dat hij nadert. Hij doet dit op
zodanig tijdstip dat degenen voor hem in alle rust de tweede richtlijn kunnen
volgen. 2) Op het horen van het belsignaal vermindert de rechts rijdende
fietser snelheid, zodat de links rijdende in eigen tempo naar rechts kan
uitwijken. Als deze de handeling voltooid heeft, kan de achterligger
ongehinderd doorrijden. Een welkome variant op deze handeling bestaat hierin
dat de rechtsrijdende het eigen tempo aanhoudt en de linksrijdende enigszins
versnelt met hetzelfde resultaat als uitkomst.
Bezien wij nu
de uitvoering in de praktijk:
de inhalende
fietser is voorzien van een goedklinkende bel en heeft het signaal op het
geëigende moment afgegeven. Voor hem gebeurt niets. De inhaler belt opnieuw. Nu
gebeurt er plotseling zeer veel. Een lange reeks handelingen van de
linkerfietser voor hem (de twee voorgangers reageren nooit tegelijkertijd en
laat ik er meteen aan toevoegen dat voor het in werking treden van wat ik
hierna beschrijf soms hele conversaties hebben plaatsgevonden, vooral wanneer
de rechterpartner het eerst reageerde) toont de volgende stadia van bewustzijn:
a) er
is geluid doorgedrongen tot een oorschelp;
b) de
gewaarwording van dit geluid wekt behoefte om de bron te lokaliseren;
c) voorzichtige
samenwerking van wervels in hals en ruggengraat resulteert in de wending van
het hoofd naar achteren (omdat de fiets in voorwaartse richting gaat en
bestuurd moet worden, komt deze beweging soms in meerdere fases tot stand);
d) met
de ogen wordt nu de achtergrond afgetast, het zoeken naar de mogelijke
geluidsbron is begonnen en de naderbij komende
fietser wordt nu in verband gebracht met het gehoorde;
e) dan
treedt het visuele inschattingsvermogen in werking: de nog steeds het hoofd
wendende fietser wordt zich bewust van de nadering en komt tot het inzicht dat
actie geboden is;
f) in
het volgende stadium worden de hem ter beschikking staande mogelijkheden aan
een onderzoek onderworpen. Hierbij moet aangetekend worden dat de fietser in
kwestie over een benijdenswaardig vermogen beschikt om zich over elke nieuwe
situatie in het leven te verwonderen en niet is behept met automatismen die hem
in staat stellen adequaat op een belsignaal te reageren;
g) na
selectie uit de mogelijkheden volgt het besluit om de weg voor de
achterliggende fietser vrij te maken. Het hoofd wordt naar voren gewend en nu
wordt eerst de partner omtrent de situatie ingelicht en betrokken in een
actieplan;
h) de
uitvoering van de voorgenomen actie kan per streek verschillen, maar komt er
meestal op neer dat de links rijdende fietser vaart mindert en zodra de
gelegenheid zich voordoet, het achterwiel kiest van de partner rechts;
i) alle
andere stadia onttrekken zich aan het oog van de beschouwer, omdat die
uiterlijk tijdens de voltooiing van h) de vrijgekomen ruimte heeft benut.
De hier
beschreven situatie is een simpel voorbeeld. Substitueer voor bejaard echtpaar
naar believen een hele familie of een uitstapje van de bondsafdeling en tel uw
zegeningen.
Wat leren wij
uit voorgaande beschrijving?
Wij, dat zijn
in het voorbeeldverhaal drie personen. Neem van mij aan dat de eerste twee er
niks van leren. Resteert de inhalende fietser die zich op een nog voorkomender
rijgedrag bezint. Hij beproeft achtereenvolgens drie methoden.
Methode 1. Hij
wijzigt zijn belgedrag. Gelouterd door ervaring wantrouwt hij het gehoor van de
medemens en belt nu op korte afstand en vele malen achtereen. Hij sorteert
daarmee in zoverre effect dat er nu sneller wordt omgekeken naar wie daar als
een gek aan het bellen is. Wat voor manieren zijn dit om mensen zo aan het
schrikken te maken?
Methode 2. De
fietser die heeft ingezien dat schrik verlammend en dus slechts in zijn nadeel
werkt, heeft besloten om niet meer te bellen. Hij is bereid om tijdelijk af te
zien van rijcomfort en neemt genoegen met de berm. Gedurende enkele tientallen
meters kiest hij het gras of het zand om vervolgens weer het fietspad op te
zoeken. Ook nu schrikken de oudjes zich een hoedje vanwege die onverlaat die
zonder enig belsignaal zomaar voorbijraast. Op dit punt krijgen zij trouwens
gezelschap van jonge moeders. Dezelfde fietser die compassie met de bejaarde
medemens demonstreert, voorziet ook tot welk risicovol gedrag een jong gezin
door een fietsbel verleid kan worden en besluit om vader, voorop met zoontje
aan zijn rechterzijde en moeder met klein zusje in het kinderzitje, die angsten
te besparen en wringt zich op de uiterste linkerzijde van het fietspad behendig
langs betrokkenen. “Jan, pas op” is de steevaste kreet van de jonge mevrouw die
de passage als eerste ervaart. Mevrouw, waarom zou u Jan laten schrikken op een
moment dat de inhalende fietser al voorbij is? Vertrouw toch op de ervaring van
de man met racefiets, die uw situatie voorbeeldig heeft ingeschat en met
intense zorg om ieders veiligheid zijn actie plant en uitvoert. Maar juist
omdat onze cyclist zich door sympathieke overwegingen laat leiden, is hij zich
bewust van de kleinste schrikreactie die zijn geruisloze optreden teweegbrengt
en dus besluit hij te berusten in methode 3;
Methode 3. De
inhalende fietser betracht geduld. Hij wenst geen enkele gemoedsrust te
verstoren, noch riskant rijgedrag uit te lokken. Hij mindert snelheid en
peddelt op zijn gemak achter groepje of tweetal, wachtend op een gelegenheid
die hem moeiteloos voorbij de medeweggebruikers brengt. En nu treedt een ander
mechanisme in werking. Net zoals de fietser op weg naar Bregenz boze ogen in
zijn rug voelde branden, zo wordt de aanwezigheid van de geduldige na enige
tijd opgemerkt door de voorrijders. Waarom rijdt die man op racefiets zo achter
hen aan? Kan hij niet bellen als hij voorbij moet? En zonder dat de rustige
fietser er om gevraagd heeft, beginnen zijn voorrijders geagiteerd de weg voor
hem vrij te maken, waarna de inhaalmanoeuvre alsnog plaatsvindt. Boze ogen zijn
zijn deel en menigmaal ook verbale verwensingen.
Is er nog een
andere methode, vraagt de vertwijfelde inhaler zich af. Waaruit bestaat toch
mijn misdaad? Om die vraag te beantwoorden, zoekt hij de eenzaamheid en de
stilte op en geeft zichzelf het provisorische antwoord dat dit intermezzo
besluit: haal niet in en blijf op afstand. Een fietspad is geen speeltuin voor
een democratie “à deux vitesses”. En geniet van uitzonderingen op de regel.
Einde intermezzo.
Wanneer ik in Friedrichshafen
op een beschaduwd terras zit, geniet ik intens van de rust om me heen. De stad
maakt op het heetst van de dag een uitgestorven indruk, maar ik zit hier in
Gasthof Schwanen aan een heerlijk megaglas Apfelschade. Zo meteen komen de
Käsespätzle en binnen heb ik mijn keuze gemaakt uit een riant saladebuffet.
Smakelijke gewoonte van de Duitsers, die Salattellerchen! Ik heb bijna 77 km
afgelegd en door het vele gezeur is het gemiddelde gezakt naar 22,7.
Eindelijk in
Bregenz. De uiterste bocht van het Bodenmeer. De laatste kilometers van het
fietspad liggen vlak langs het water, het strand en de badgasten, maar dit is
niks vergeleken met de manier waarop ik richting Lindau van de weg werd geknikkerd.
Voorbij Eriskirch in de buurt van Oberdorf staat weer zo’n geel
verkeersbord met zwarte pijl. Het fietspad ziet er goed uit, maar buigt dan van
de hoofdverkeersweg af naar beneden. Voor een tunneltje kan ik naar links of
rechts. Ik twijfel. Rechts van mij ligt het Bodenmeer, dat kan dus niet
verkeerd zijn. Gelukkig komt mij hier een jonge mountainbikester tegemoet. Zij
monstert mijn fiets en vraagt kannst du
über Steine fahren? Als ik twee stroken met scherpe stenen wil trotseren, weet
zij wel een weggetje in de goede richting, als ik tenminste niet tussen de
badgasten terecht wil komen. Einfach panisch! Beter is het om de andere
richting te nemen, omhoog naar het dorp en vandaar terug naar de weg. Ik bedank
haar vriendelijk. Ik heb geen zin om mijn banden aan die stroken te wagen. Tijd
genoeg om een klein omweggetje te maken, maar waarom kunnen die Duitsers een
fietser niet eenvoudig zijn weg laten vervolgen? En waarom geen richtingborden?
Wat bezielt die fietspadontwerpers toch? Het weggetje dat ik nu volg, wordt een
pad. Het pad houdt op. Tegen een heuvel is een betonnen trap van dik honderd
treden aangelegd, onderbroken door een plateautje, en zij leiden naar een ruime
woning. Ik krijg een déjà vu van de boerderij op weg naar Kordel en net als toen
word ik voor mijn inspanningen beloond. Langs het huis loopt een smal pad dat
weer naar beneden loopt en uitgeeft op een erf onder een oeroude boom. Daar
ligt een driesprong en vraag ik nog maar eens naar de weg, want het heuvelt
hier sterk en de weggetjes slingeren in verschillende richtingen. Overigens,
dat ik de treden met de fiets op de nek nam, telt natuurlijk niet als
afstappen!
Via Kressbronn,
Hege, Bodolz en Lindau kom ik op een drukke weg, ga een
brug over en dan is daar het het rood-wit-rode bord met adelaar en de
mededeling dat ik in Vorarlberg ben. Dit moment zou iets van euforie moeten
veroorzaken, vergelijkbaar met mijn intocht in Bazel verleden jaar, maar toen
zat de reis erop, en nu liggen er bergen op me te wachten. Voor me zie ik het
Bregenzer Wald, uitloper van de Allgäuer Alpen en ik vind het best dat ik daar
vandaag niet aan begin. Een foto van Oostenrijk!
In Bregenz
heb ik de computer buiten werking gesteld, als ik door stad en park lummel op
zoek naar een onderkomen. Vandaag is de eerste dag dat ik een hotel zoek zonder
vooraf verzamelde gegevens te kunnen raadplegen. De VVV lijkt me de aangewezen
instantie om me van dienst te zijn. Na de niet beste en duur betaalde koffie op
een terras langs het Bodenmeer, met als visuele attractie het voorbijparaderen
van een Grieks-Cypriotische pope in paarse tuniek, krijg ik al gauw genoeg van
de Festspielstadt. Overal roepen affiches op om te reserveren voor bijzondere
voorstellingen. Het Festspielpark is mooi aangelegd en hier vermaken bewoners
en toeristen zich uitstekend. Ik wil me graag laten informeren, maar eerst zoek
ik een onderkomen. De onoverzichtelijkheid van de betonnen jungle, waarlangs of
waardoor ik met mijn fiets naar het centrum kan rijden, schrikt me ineens af en
ik besluit Bregenz zo vlug mogelijk te verlaten. Na enig gezoek in een grauwe
buurt kom ik op de goede weg die me eerst naar Lauterbach en vervolgens
in Dornbirn brengt. Hier vind ik het mooi geweest. Een hotel vind ik nog niet
zo 1,2,3 en net als ik van plan ben om mijn verkenning buiten de stadskern
voort te zetten, ligt daar aan mijn rechterhand een gezellig ommuurd terras
voor een restaurant. Ik informeer of hier ook overnacht kan worden. De eigenaar
blijkt in een uitstekend humeur omdat hij morgen met vakantie gaat en als ik
wil belt hij zijn zuster die ook een Gasthof drijft. Via de gsm van de Bruder
komt het met Schwester in orde en zo installeer ik mij een halve kilometer
verderop, waar de weg steil omhoog loopt, in Gasthof Loewen en keer na alle
rituelen terug naar het restaurant. Buiten is het 33 graden en het terras van
Gasthof Gemsle loopt vol. Ik ben in mijn nopjes dat ik Bregenz gelaten heb voor
wat het is en laaf me aan de hoffelijkheid van de eigenaar, het personeel en de
bezoekers. Iedereen kent iedereen en is in opperbeste stemming. Het grüß Gott
en Servus zijn niet van de lucht. De bediening heeft interesse in mijn
fietsavontuur en serveert Tomatensuppe, Buntbarschfilet mit Sauce Hollandaise
und Salzkartoffeln. Het bier heet hier Mohren Bräu en smaakt als altijd
voortreffelijk. De temperatuur verlokt mij tot het bestellen van een tweede 0,4
literglas en ik begin wazig te zien. Na het afrekenen moet ik moeite doen om
uit een zalige roes te stappen en recht op de been te blijven.
De
computergegevens zijn genoteerd, het is te vroeg om naar mijn kamer te gaan en
ik maak een lange warme avondwandeling.
Tijd voor wat
langzamere indrukken. Voor barokke gevels op het marktplein. Voor de mode-etalages,
waarvan K.YOU me bevalt, maar was dat zwarte jurkje wel van Gucci?
Ik word bijna
overreden door een rolstoeler die van links komt en niet tijdig de rem kan
vinden. Samen lachen. In een bedompte bar, alle deuren staan bij dit weer
natuurlijk open, gooit een klein meisje pijltjes in een autodartboard. Een nog
triester aanblik biedt een jonge vrouw die lege flessen uit een stinkende
container vist. Ik steek de weg over naar het Kulturhaus. Hier wordt breeduit
het optreden van André Rieu aangekondigd. Van het Kulturhaus sla ik de weg
omhoog in en maak een omweg door donkere spaarzaam verlichte lanen om bij
Gasthof Loewen uit te komen. Hier liggen kapitale villa’s en panden van de
Mohren-Bräuerei. Bij een zo’n enorme ommuurde villa blijf ik staan en lees op
het koperen naamschild dat hier Dr. Julius Brändle woont. Ik neem me voor om
thuis het internet eens op die naam te bevragen. Dat heb ik zojuist gedaan en
Dr. Brändle blijkt niet alleen een gereputeerd advocaat en procureur te zijn,
maar ook zijn mannetje te staan in de wijnproeverij. Een Tardieu-Laurent,
Hermitage ’97 kreeg van hem 19 op 20 punten tijdens een Dégustation bij Helmut
Klien in mei 2000. Terug naar de wandeling. Op de hoek van de Dr. Waibelstrasse
is een kapel ingericht met gedenkplaquette. In 1629 verloor Dornbirn door de
pest 900 van zijn 2000 inwoners, nadat de plaats in de middeleeuwen al vele
malen aan de pest ten offer was gevallen.
Voor het slapen
gaan kijk ik nog tv en noteer de uitgaven van de dag.
Uitgaven van
deze dag:
Hotel Rössle
Tuttlingen € 30,-
2 flessen water - 2,-
lunch
Friedrichshafen - 12,-
koffie Bregenz - 2,30
maaltijd
Dornbirn - 12,80
maandag 4
augustus
DORNBIRN –
DAVOS
Als ik ’s
morgens bij het afrekenen een opmerking maak over de plaquette, blijkt mijn
nijvere gastvrouw niet op de hoogte van enige ramp die Dornbirn vroeger
getroffen heeft.
Bij Schlecker
koop ik twee flesjes isotone drank voor onderweg. Het wordt een 3-landentochtje
vandaag. Bij een iets andere planning was het met gemak zelfs een 4-landentocht
geworden. Het is bij vertrek niet te warm, omdat de zon nog achter de bergketen
van het Bregenzer Wald omhoog kruipt.
De reis is in zijn tweede fase gekomen. Het aftellen is begonnen, want langzaam maar zeker zal ik me van 415 meter boven de zeespiegel naar 1540 meter gaan verplaatsen. Dat is net zo hoog als de toppen die ik nu links van me zie oprijzen. Laat ze daar maar liggen. Het aardige van bergen als deze is dat ze gescheiden worden door een vlakke vallei. Voorlopig fiets ik in Oostenrijk als op een biljartlaken en ik denk terug aan de boeiende documentaire die ik gisteravond op tv zag. Het was een uitzending van de Bayerische Rundfunk over een populaire zangeres uit de 60-er jaren, Alexandra. Vreemd, nooit van haar gehoord. Zij moet toch geconcurreerd hebben met Conny Froboess, Caterina Valente, Freddy Quinn en al die andere schlagerzangers. Haar levensloop, voorkeur voor het Russische repertoire, contacten met managers, ontmoeting met Bécaud, strijd voor haar eigen stijl, maar vooral haar raadselachtige dood en de nasleep om haar muzikale en materiële erfenis, maakten veel indruk op me. Een klaaglijk Russisch lied, haar tophit, herken ik. De opname van dit lied moet legendarisch zijn geweest: hoe zij eerst weigerde, onvindbaar was, toch naar de studio kwam, in trance zong en verdween, zodat de opname enig is in zijn soort. En als dit verhaal niet waar is, wil je het toch geloven. Het voornemen om terug in Nederland meer over haar aan de weet te komen, is nog steeds niet ten uitvoer gebracht. Na dit verslag, spreek ik nu af. Alexandra werd geboren in 1942, stierf in 1968 in Parijs.
Hohenems,
Götzis en Feldkirch zijn de routeplaatsen naar de grens met
Liechtenstein. Nu ik thuis de foto van het Zollamt Schaanwald opnieuw
bekijk, valt me pas op dat het om een Zwitserse post op het grondgebied van
Liechtenstein gaat. In elk geval is het de eerste post waar echte controles
plaatsvinden en ik moet mijn beurt afwachten. Hoef overigens geen papieren te
tonen.
Na de plaatsjes
Nendeln en Schaan en de stoplichten ervoor, ertussen en erachter
zie ik na een tijdje links, hoog tegen de bergwand, het veel gefilmde slot van
de vorst liggen. Hier woont dus de man die onlangs via democratische stemming
tot alleenheerser werd benoemd. Dat moet kunnen. Een soeverein volk heeft het
recht de regeermacht over te dragen, in het vertrouwen daarmee zijn eigen
belang te dienen. Het gezicht op het slot met daarachter de scherp getekende
bergformatie is prachtig. Aan de andere kant strekt zich nog steeds een
biljartlaken uit.
In Vaduz,
na 39 km gemiddeld 22,5, ga ik een kwartiertje uitrusten, niksen. Jammer genoeg
is het slot vanuit het centrum niet meer goed zichtbaar en het is nu te heet om
voor een foto extra inspanningen te verrichten. Op het plein van de stad schets
ik het wapen dat de voorgevel van een gouvernementeel uitziend gebouw siert.
Thuis op internet ontdek ik dat het hier niet om het wapen van het vorstendom
gaat, dus hou ik het op het gemeentewapen van Vaduz. Maar vraag me niet wat er
nu precies op staat. Wat ik me verder van het plein herinner is de levendige
handel, vooral in leren handtassen.
Mijn volgende
halteplaats is Maienfeld, het eerste Zwitserse plaatsje dat ik aandoe. Als ik
daar aan ben gekomen staat de teller op 55,4 km en is het gemiddelde gezakt
naar 21,8. Met zo’n klim is dat niet verwonderlijk. Na het plaatsje Triesen
komt Balzers en ik heb mezelf beloofd om niet de makkelijke omweg over
Sargans en Bad Ragaz naar Landquart te nemen, maar mijn entree in Zwitserland
enige allure te geven. Als ik morgen alpenreuzen wil bedwingen, is de
Luziensteig vandaag een mooie opwarmer. Dus sla ik in Balzers linksaf, kan nu
ook kaart 216 opbergen in de wetenschap dat ik aan mijn laatste Michelinkaart
begonnen ben. Na het passeren van de Zwitserse grens stijgt de weg eerst maar
licht. Hier in een open vlakte doet de zon het nodige sloopwerk. En dan wordt
het zwaar. De Luziensteig wordt op de kaart door een paar ≫ gemarkeerd
en is bijna 4 km lang. Op mijn “Hundsrück-verzet” (Hundsrück niet te verwarren
met Hunsrück!) van 42 x 26 zie ik af, tandvleeswerk. En dorst. Als ik op de top
ben, rijd ik door iets wat op een burcht lijkt, een soort kleine citadel van
Namen. En als ik de afdaling naar Maienfeld voltooid heb, de laatste
honderden meters over smal hobbelig asfalt en langs ommuurde tuintjes, doe ik
mezelf nog een belofte. Dit is de laatste keer geweest dat ik zonder helm heb
gedaald. Bij de volgende gelegenheid ga ik dat ding op mijn kop zetten.
Holadiejee, holadiejo, ik ben in Fideris en ik ben het zat. Het is drie uur in de middag en er moet gegeten worden. En het is zo gruwelijk héét tussen de inmiddels wat saai ogende alpentoppen. Bij dit restaurant stap ik af. Het ligt een paar meter hoger dan het wegdek en is omgeven door een ook hooggelegen slordig aangelegde terrastuin. Daar neem ik plaats op een beschaduwde bank en hoop dat de tent niet gesloten is. Daar komt al iemand aan, de vrouw des huizes neem ik aan, in blote benen op pantoffels en met een uitdrukking op haar gezicht of ze net is opgestaan. Ik kan er wat te eten krijgen. Veelbelovend klinkt het niet en de kaart biedt zo te zien niet veel bijzonders voor al dat geld. Net als ik bedenk dat het hier wel erg duur is, realiseer ik me dat de prijzen in Zwitserse francs zijn. Was het wel slim om geld te wisselen? Zou ik in dit land niet evengoed met euro’s kunnen betalen? Na de korte rustpauze in Maienfeld, waar ik voor het eerst op deze reis rad Italiaans hoorde spreken door een rumoerig stel in een auto, was geld wisselen mijn eerste gedachte. Op naar Landquart over een vlakke door bomen beschaduwde weg.
Terwijl ik in
mijn opschrijfboekje noteer wat er te Landquart voorviel, brengt de waardin mij
het bestelde mineraalwater en alvast de salade met brood. Het water zit in een
glas, geen flesje. Zou dit zo’n zaak zijn waar gewoon kraanwater met koolzuur
getapt wordt?
In Landquart
pinde ik honderd francs in de vorm van
één biljet, dat ik wel voor kleinere wilde inwisselen. Er was immers een
wisselautomaat naast die voor de geldafgifte. Niet goed opgelet. Mijn 100
francs-biljet werd niet omgewisseld in biljetten van 20, maar in munten van 20
centimes. Daar stond ik met mijn zware muntrollen. Naar een winkelcentrum dan
maar om sportdrank en bananen te kopen en de munten, die ze hier vast graag
willen hebben, voor biljetten in te wisselen. Ik wil de caissières niet
ontrieven en meld me eerst bij de klantenservice. Daar krijg ik voor mijn
rollen een biljet van honderd francs. Nee, kleinere biljetten zijn hier niet
voorradig. Dus toch met groot geld naar de kassa, en zo verloopt de eerste
transactie in Zwitserland voorspoedig, zij het gecompliceerd.
Tjonge, wat is
dat brood droog. Is vast nog van vrijdag. En wat een hulpeloze slablaadjes. Het
is dat ik hier beschaduwd zit.
Na in Landquart
een banaan verorberd te hebben, begint het eigenlijke avontuur. Ik ga linksaf,
de 28 op, op weg naar Davos. Rode bordjes wijzen fietsers er op dat er aan hen
gedacht is, een mooie geste. Zo ben je van het gemotoriseerde verkeer verlost,
blijf je op paden die min of meer parallel aan de weg lopen en dat maakt
fietsen tot een genoegen. Zo kom je ook door plaatsjes als Grusch en Schiers. Maar l’histoire se répète. Net als
bij de Tour de Murg het geval was, of langs het Bodenmeer, gaat ook hier het
wegdek na een tijdje van asfalt op grind over om soms weer een stukje asfalt te
offreren. Maar mooi is het wel. Over een sijpelende bergrivier is een houten
brug geslagen. Op deze brug maak ik een foto van het landschap en ik heb nu het
gevoel echt in Zwitserland te rijden. Even later word ik door de rode bordjes
uitgedaagd om een juiste afslag op een splitsing te nemen. Omdat de weg naar
links omhoog kronkelt en die rechts naar beneden duikt, parallel aan de
spoorweg, besluit ik dat ik die laatste moet nemen. Na een paar honderd meter
wordt het pad steeds minder betrouwbaar en mondt uit in de scherpe steenmassa
die ook tussen de spoorbielzen wordt aangetroffen. Verderop wordt aan de spoorweg
gewerkt. Ik rij omzichtig, tegen beter weten in verder, en als een oude kerel
op een lorrie in mijn richting komt, vraag ik of deze woestenij weer overgaat
in een pad richting Davos. Nee, roept hij, ik moet terug, bij de splitsing de
andere afslag volgen. Ik kom over gewone smalle weg in het plaatsje Grusch,
vervolgens in Schrau. Daar duikt de weg onder de 28 door, maar na Jenaz
kom ik bij Fideris weer op de grote weg uit en daar bevindt zich de
uitspanning waar zojuist mijn bestelde spiesje met aardappels voor mij is
neergezet. Hm, ziet er wel goed uit.
Au, kristus nog
an toe, ik verbrand zowat mijn handen aan het bord. Had die vrouw mij daar niet
voor kunnen waarschuwen? Mijn eerste kennismaking met Zwitserland is niet
bijster opwekkend. Omdat in Landquart, waar buiten de supermarkt alles dicht
is, een eetpauze niet voor de hand lag, stelde ik mijn hoop op iets langs de
weg, maar ook in Grusch was alles dicht en op meerdere plaatsen gaat men pas om
half vier open. Dit hier heet Gasthof Au en het krijgt van mij nul sterren. De
aardappels drijven smakeloos in vette boter met peterselie. Koken kunnen ze
hier ook al niet. Het vlees dat er goed leek uit te zien, is zurig en ik hoop
van harte dat ik hier geen voedselvergiftiging oploop. Tenslotte moet er straks
ook nog wat geklommen worden.
Om tien over
acht ’s avonds voltooi ik mijn dagelijks ritueel. Ditmaal heet het bier Calanda
en ik nuttig het in het Bellavista Hotel te Davos, waar een leuke Nederlandse
receptionist me welkom heeft geheten en waar ik onder meer een heerlijk bad heb
genomen met mineralen uit de Dode Zee.
Deze dag is als
een melodrama. Eerst de euforie over het bereiken van Zwitserland en de pracht
van de natuur, dan de ontgoocheling om vervolgens weer naar een happy end toe
te leven. De ontgoocheling, ingeleid door de hitte en vage ongenoegens,
verdient de volgende kop;
Voor het
spoorwegstationnetje aan de overkant stopt een motorrijder. Zijn kompaan voegt
zich even later bij hem. Zij nemen de tijd om in de brandende hitte en in hun
zwarte pakken aan een der motoren te sleutelen. Er zijn kennelijk
startproblemen. Minutenlang duurt het geraas van de motor. Als ik hier geen
voedselvergiftiging heb opgelopen, dreigt nu een andere ramp en het nare kostje
dat ik achter de kiezen heb moedigt extra aan om hier op te breken. Door alle
consternatie ben ik vergeten wat ik exact moest betalen, laten we zeggen 22,95
francs. Ik betaal met het biljet van vijftig. De waardin vraagt of ik geen
klein geld heb, zodat zij enkel biljetten hoeft terug te geven.. Als ik na enig
peuterwerk voldoende muntgeld op tafel heb gedeponeerd, kan ik net zo goed dit
bedrag completeren met een der biljetten van twintig. De waardin incasseert het
geld en ik neem het vijftigfrancsbiljet
terug. Dat denk ik, want waar is dat biljet? Zij is zich nergens van
bewust en hoe ik ook een gebeurtenis van vijftien seconden geleden op zo’n
manier tracht te reconstrueren, dat ook zij verbaasd moet zijn, het haalt niets
uit. Er staat geen zuchtje wind en onder of naast de tafel is niets te vinden.
Het is mij duidelijk dat ik een achterhoedegevecht lever en dat ik eenvoudig
bestolen ben. Zij laat mij haar geldtas zien, toont een biljet van vijftig, het
enige biljet dat zij had. Zoals ik zie is er geen biljet bijgekomen. Nee, dat
haal je de koekoek, dat biljet kun je godweetwaar gestopt hebben. Ik verlaat de
terrastuin giftig, zeg ten afscheid iets in de trant van “War nie zuvor in der
Schweiz. Da muss man Lehrgeld zahlen.”
Ik vergeet ook
de computergegevens op te schrijven. Voor mij ligt de klim naar Saas. Tot nu
toe ging de weg wel merkbaar omhoog hier en daar, maar echt klimwerk laat op
zich wachten. Ik moet mijn mistroostigheid zien te overwinnen, want moraal is
nodig om te klimmen. Na de eerste stijgende meters stap ik bij een plateautje
af om mijn hele inboedel nog eens te inspecteren. Misschien heb ik dat mens van
Au wel ten onrechte verdacht en duikt het verloren gewaande biljet zomaar op.
Nee, ik moet berusten. Terwijl ik verder klim, voorbij Saas richting
Klosters, valt me op hoe verblindend het zonlicht ineens is. Ik tast naar mijn
zonnebril, maar die is weg. Een snelle reconstructie: tijdens het opnieuw
inspecteren van mijn reisétui op dat plateau buiten Fideris heb ik mijn
zonnebrilglazen afgezet en vergeten mee te nemen. Ook dat nog. Jammer, de rest
van de reis gaat zonder zonnebril.
Op weg naar Klosters
Dorf wordt het klimmen zwaar. Tijdens de voorbereiding van mijn reis heb ik
met de gedachte gespeeld om niet Davos, maar Klosters als pleisterplaats te
kiezen. Ergens las ik dat dit het geliefde wintervakantieoord van de Prins van
Wales is. Die omstandigheid is mogelijk van invloed op de prijzen, maar in
Davos overnacht ook wel eens een celebrity. Ik moet denken aan Mandela in de
sneeuw, die onverwacht Ruud Lubbers ontmoette, die om een andere reden hier
moest zijn.
Maar als ik het
nu al zwaar heb, hoe moet dat dan van Klosters naar Davos, waar de weg op de
kaart drie keer een ≫ krijgt?
Ik snak naar een rustpauze, om met hernieuwde kracht aan het laatste gedeelte
van de étappe te beginnen. Het lukt me echter niet om bij het binnenrijden van Klosters
een geschikt afstapmoment te bepalen. De weg door het dorp blijft sterk stijgen
en draait voortdurend en voor ik het weet, en misschien omdat ik ineens een
hekel aan de plaats kreeg, ben ik het centrum voorbij en kom ik in het fraaie
bosgebied op weg naar Laret en Davos terecht. Hier wordt het echt steil en ik
ontplof zoals dat heet. Naast de weg is nauwelijks ruimte. Ik hijs mijzelf met
fiets op de berm en zoek een plekje op de rots tussen de bomen. Eet mijn
overgebleven banaan op. Terwijl ik uitrust komt een jonge vrouw voorbij, die op
een uiterst kleine versnelling naar boven rijdt. Dat beeld geeft weer moed voor
de laatste kilometers en ik stap weer op. Na een paar bochten zie ik haar
uitrusten op een riante plek, tegen een hekje geleund dat de wandelaar ervan
weerhoudt om in de dieper gelegen snelstromende bergbeek te vallen. Ik schat
haar ten hoogste 30, vraag of zij in de buurt bekend is en eventueel tips voor
een overnachting in Davos heeft. Hoewel zijzelf uit Davos is, en een familielid
appartementen verhuurt, is zij geheel onbekend met de hotelbranche ter plekke.
Ik maak haar deelgenoot van mijn ervaringen vandaag. De route die ik heb
afgelegd kent zij en mijn plan om morgen naar Sta. Maria te rijden, lijkt haar
te doen. Na dit aardige gesprek vervolgen we samen onze weg. De klim blijft
zwaar tot de laatste kilometer voorbij Laret. Ik rijd de hele klim op
het verzet 30 x 19 en mijn gemiddelde rijsnelheid is niet hoger dan 9 km/u. Als
ik omkijk, zie ik niettemin geen spoor meer van mijn mederijdster.
De afdaling
naar Davos, met links van mij de Davoser See, vergt de nodige concentratie en
is bij het binnenrijden van de stad even akelig door het vele verkeer en het
viaduct waar ik onder door moet. De computer wordt weer buiten werking gesteld,
want ik moet nu in een grote toeristenplaats op zoek naar een plek om te
overnachten. Gisteravond in Dornbirn lag de prijs al hoger dan de dagen ervoor
en vandaag verwacht ik een nieuwe piek in dit opzicht. Omdat het gesprek met de
aardige Zwitserse van daarnet mijn algehele gevoelen ten aanzien van dit land
nog niet definitief omgebogen heeft, erger ik me al vlug aan het uitblijven van
toeristische informatie. Ik rijd de hele plaats door, van Dorf naar Platz voor
de kenners, maar stuit nergens op een behulpzame plattegrond. Als ik op het
punt sta om te keren en me bezin op doeltreffende actie, zie ik ineens het
woord TOURISMUS. Binnen een paar minuten is alles geregeld! Uiterst efficiënt
krijg ik niet alleen alle gewenste informatie, maar ook de boeking wordt
perfect en kosteloos geregeld. Als ik met stadsplattegrondje en
reserveringsformulier buiten sta, hoor ik hoe de rolluiken gesloten worden. Het
is zes uur en het bureau sluit. Ik was de laatste klant!
Het meIodrama
neemt een wending naar het happy end. Hotel Bellavista wordt door
hotelstudenten gedreven en ligt even hoger dan het Nederlandse Astma Centrum.
Ik kan er ook eten als ik wil, maar dan moet ik me van tevoren inschrijven voor
de maaltijd.
Het hotel is
super de luxe en een toonbeeld van service. De Nederlandse jongen die vanavond
de balie beheert, elke student heeft elke week of dag een andere functie, is
uiterst voorkomend. Als ik vanaf het achterbalkon naar buiten kijk, ligt daar
donker tegen de hemel de Schatzalp. De verpakking met Dode Zee-mineralen in de
badkamer is een attractie tegen vergoeding, maar ik besluit mijzelf erop te
trakteren. Ik voel mij gelukkig in dit eerste echte bad tijdens deze reis (ook
het laatste), heb vrede met het leergeld van Fideris en raak geëmotioneerd door
de vaststelling dat ik mijn plan opnieuw heb uitgevoerd. Het is een
gemoedsstemming waar een vuist bij hoort en een krachtige neerwaartse beweging
van de onderarm.
Als ik in
afwachting van de maaltijd en tussen de slokken Calanda door mijn computer
raadpleeg, blijkt dat ik vandaag voor het eerst ver onder de 20 km/u gemiddeld
heb gereden.
Het was me ook
een rit. En de laatste kilometers vielen niet mee. Maar de dag van morgen moet
lukken. En anders maar een rustdag. Of de rit van morgen in tweeën splitsen?
Maar de
Umbrail, dat is nog wat anders. Ik ga het misschien niet redden.
Ik bel met mijn
oudste zoon en bedenk dat reizen vroeger anders was, zonder gsm en zonder
fietscomputer, en ook dat ik onderhand wel wat wil eten. Ik heb mij toch keurig
voor de maaltijd aangemeld (standaard voor iedereen, geen à la carte)? Wij
zouden spaghetti krijgen is mij beloofd. Ha, daar komt een studente. Hoe ik de
spaghetti wil? Met pesto, alla bolognese of nog anders? Ik kies alla bolognese
en wacht een eeuwigheid. Is dit een maaltijd? Ik krijg een bord spaghetti met
daarover een bleek dun sausje. Hier zal ik het toch niet mee moeten doen? Ik
kan ook nog kruimelkaas hebben. Voorzichtig informeer ik of er iets van salade
bij geserveerd kan worden? De studente fronst. Zij zal het opperen. Denkt wel
dat dit tot de mogelijkheden behoort. Als zij later terugkomt, lijkt zij het
saladeverhaal vergeten. Ik kan een dessert kiezen. Welke desserts zijn er? Wil
ik het dessert of niet? Er is er maar één, het heet Yogi of zoiets. Als
bedoelde Yogi arriveert, blijkt dit een chocolade tulbandje met een bolletje
vanille-ijs te zijn. Nog nooit gezien. Ik doe er zo lang mogelijk over. Deze
dag is goed geëindigd, maar culinair gesproken is dit een dieptepunt. En niet
te rijmen met de status en service van dit hotel.
Als ik me in de
invallende duisternis overgeef aan de machtige aanwezigheid van de Schatzalp,
merk ik dat de avondlucht op deze hoogte aangenaam koel begint te worden.
Beneden mij
hoor ik veel en pijnlijk hoesten. Patiënten van het Astma Centrum. Arme
donders.
Uitgaven van
deze dag:
Hotelkosten
Gasthof Loewen € 45,-
Isodrank
Dornbirn - 0,98
Bananen en
sportdrank Landquart - 2,93 ( of F 4,30)
Maaltijd
Gasthof Au -
15,60 (omgerekend)
Gestolen biljet
50 francs - 34,-
dinsdag 5
augustus
DAVOS – SANKTA
MARIA
Om ergens te
komen heb je de kaart niet meer nodig. Nu ik eenmaal in Davos ben, zijn
alternatieven niet voorhanden. De weg voert vandaag onverbiddelijk over de
Flüelapass en de Ofenpass, in het Italiaans de Pass dal Fuorn. Van de laatste
heb ik een profielkaartje kunnen downloaden, voor de eerste is het prettig dat
ik een kaart kan raadplegen, die 28 km tot Susch aanwijst, keurig verdeeld in
14 km klimmen en 14 km dalen. De klimroute wordt achtereenvolgens aangeduid door de pijltjes > > ≫
> ≫ ⋙≫.