VAN DOMMELEN NAAR VERONA

Verslag van een fietsvakantie

29 juli – 10 augustus 2003

 

INLEIDING

Persoonlijke fietservaringen via het internet wereldkundig maken, is dat geen meelijwekkend vertoon van, ja van wat eigenlijk? Van ijdelheid? Zeker. Van trots? Wie weet. Van het onvermogen tot wijze zelfbeperking, om aldus de risee van fietsend en schrijvend Nederland te worden? Ongetwijfeld, maar dat weet je pas als de teerling geworpen is.

Sinds de fiets de literatuur werd binnengereden, is het peloton pen & pedaalridders zo toegenomen dat de liefhebber van hun verhalen gebaat is bij een overzichtelijke indeling: de onbetwiste commerciële toppers voorop, daarachter de pedante snobs voor wie de combinatie van maatschappelijk/intellectuele status en beoefening van volkssport een toegangsbewijs is tot de élitecultuur, en achteraan al die zwoegers, die met illustere voorbeelden voor ogen euforische ogenblikken beleefden tegen de flanken van een col of anders wel tegen de wind en van dat zelfontdekte heldendom verslag doen. Laat ik er maar niet omheen draaien, geen sneren uitdelen aan een leger enthousiastelingen waaraan ik in het diepste geheim wil ontsnappen, en toegeven dat ik tot dezulken behoor.

Valt er noch iets ter verdediging aan te voeren?

Ja, dit wordt een verhaal waarin niets mooier, heldhaftiger of interessanter wordt voorgesteld dan het was. Een verhaal dat begint met een conclusie en daaraan zijn bestaan dankt. Het was gewoon een geweldige vakantie, in alle opzichten de moeite waard. Zo’n vakantie die je aan jezelf vertelt om haar niet te vergeten.

 


DE VOORGESCHIEDENIS

Ben ik een fietser? Zeker is dat het gezin waarin ik opgroeide fietste en fietst. Fietsers rijden door een landschap, bij moeder thuis aan de wand. Fietsen en fietsers, op gedachtenisprentjes, op foto’s, tekeningen, borduursels. Maar dat wordt een heel verhaal. Niet doen, een andere keer. Laat ik afscheid nemen van mijn familie, de eerste fiets overslaan (in 1953 gekregen vlak voor die formidabele Tour de France) en linea recta overschakelen naar de start in Dommelen. En naar de fiets die ik de komende dagen als metgezel meeneem. Een kennismaking met die fiets geeft een beter antwoord op de gestelde vraag dan alle denkbare personalia samen. Het is namelijk niet mijn fiets.

 

Als ik eind februari 1965 de militaire dienst verlaat, heeft Nederland zojuist een loonexplosie meegemaakt. Met meer dan vijfhonderd gulden aan soldij, kleedgeld enzovoort op zak komt een droom nabij en in augustus van dat jaar is het zover: de eerste racefiets wordt aangeschaft. De tweedehands Eroba, volgens verkoper Jan Willemsen in Nuth eigenlijk een cross-fiets, is door lakschade nog nauwelijks geel te noemen. Voor honderdtachtig gulden krijg ik hem, opnieuw gespoten maar nu donkerrood door de fa. Geirnaert in Luik. Dat is even slikken, een Eroba die zich Geirnaert laat noemen.

De wielercarrière die volgt duurt één seizoen, waarin ik op dikke banden rijd en tijdens elke nieuwelingenkoers gelost word. De aspiraties zijn verdwenen, de fiets blijf ik trouw, ook al blijft  het fietsen beperkt tot de dagelijkse rit naar school of werk en wordt de racefiets nog enkel voor korte tochtjes in de zomervakantie bestegen.

 

In 1974, getrouwd, een kind, nieuwe vrienden in een klein dorp, word ik lid van een plaatselijke tourclub en mijn Eroba, want zo noem ik hem ondanks het logo, wordt nu uitgerust met een heuse derailleur en tubewielen. Ook nu duurt de pret niet veel langer dan een seizoen. Nog twee kinderen verrijken ons bestaan en de voetbalsport verdringt de fiets.

En als vervolgens de auto onze mogelijkheden verruimt, zorgen vakanties met drie kinderen voor een propvolle laadbak, waarin voor een fiets geen plek is.

 

Mijn eerste col

1995. Een vakantie in groter familieverband brengt ons naar Fresse-sur-Moselle. Een blik op de kaart leert dat enige kilometers verder de Ballon d’Alsace begint, magische klank sinds mijn belangstelling voor de Tour ontwaakte. Welke bagageproblemen zich ook aandienen, de fiets moet mee. En gaat mee. Maar kan ik dat? Een col beklimmen?

Als we ter plekke zijn, verdiep ik me op een der eerste avonden in de lokale Carte Touristique, schaal 1:25.000, en bereken van bocht tot bocht de afstand en het hoogteverschil, stel bij benadering stijgingspercentages vast en verwerk al die gegevens in een klein kaartje met tabel, dat ik vervolgens van een plastic hoesje voorzie. Samen met de oefentochtjes die ik ter plaatse al achter de rug heb, om een conditiebegin te kweken, moet deze mentale voorbereiding voldoende zijn. Met het kaartje op de stuurpen geplakt, nog steeds de oude stuurpen met bout die de gegraveerde namen van Marcel Kint en Sylveer Maes omklemt, begin ik op een ochtend waarop het kwik al 30° wijst aan de klim. Ik maak ondanks mijn leeftijd een kapitale beginnersfout, ga ervan uit dat ik mezelf kan belonen door een zo groot mogelijk verzet te trappen in de beginfase. Na twee kilometer moet ik de 42x20 al vaarwel zeggen, met de 22 ben ik nog niet halverwege en dan rest mij nog maar één pion. Terwijl ik machteloos 42x24 trap, overweeg ik om te keren, bereid in gedachten alvast een larmoyant verhaal voor het thuisfront voor, waarin zelfoverschatting het af moet leggen tegen de ijzeren natuur, dat ik nu weet wat die Tour de France-mannen  in huis hebben, dat een col niet weggelegd is voor gewone stervelingen enzovoort,  hijs mezelf tegen beter weten in nog een paar meter omhoog, maar na 6,6 kilometer (de fietscomputer ontsiert nog niet mijn aloude stuur, alle berekeningen volgen uit vergelijkingen met kaart en horloge) weigeren de benen. Ik plof in het gras naast de weg en blijf daar minstens vijf minuten zitten, uitblazend, verdoofd door de nederlaag, me vaag afvragend hoe deze nieuwe streep door een ideaal mijn verdere leven gaat beïnvloeden. Als ik opsta is er iets gebeurd dat een wijze les had moeten zijn, maar waarvan ik me toen en later te weinig bewust was: de rust heeft me goed gedaan, krachten lijken teruggekeerd en ik vervolg na een blik op het horloge, mijn weg naar de top. Meteen na de eerste bocht lees ik Altitude 1000 M. Nog maar 170 meter hoogteverschil! Dat geeft moed. De resterende kilometers zijn zwaar, maar ik haal de top. Nooit zal een Bière d’Alsace iemand beter gesmaakt hebben. Twee smetten blijven aan deze rit kleven. Is een col in twee gedeeltes beklimmen nog wel een prestatie? Voor hetzelfde geld houd je vier rustpauzes, of veertien. Mag ik mijn totale klimtijd over negen kilometer, 43 minuten, vanuit die optiek een plek in mijn eigen boek geven?

Onder de indruk van de afdaling tracht ik, terug in het familiekamp, deze of gene te overtuigen van het genot een der volgende dagen een uitstapje over de Ballon te maken, met een schitterend uitzicht als beloning. Natuurlijk wil ik mijzelf en familie en passant laten weten wat hier volbracht werd. Het voorstel vindt geen gehoor. Dat was smet twee.

 

De onbekende vriend

Zomer 2001. Volwassen kinderen. En een vriendschap van dertig jaar geleden, die door een toeval weer opbloeit. Die bezegeld wil worden met een gezamenlijke fietstocht, ook al kennen wij elkaar niet als fietser. Wat wij naast andere interessegebieden delen is de hartstocht voor de Tour de France.

Na de rit Den Bosch-Dommelen, waarin de kennismaking hernieuwd wordt, zullen we de volgende dag naar Huy fietsen, de Muur beklimmen als de krachten toereikend zijn, een hotel nemen en de dag erna weer terug. Op 25 augustus wijst de thermometer 34° aan. In Borgloon ben ik een vaatdoek. Bevangen door de hitte. Mijn metgezel berust erin dat de tocht niet verder gaat dan Tongeren. De terugtocht verloopt een stuk beter. Bij het afscheid heeft de vriendschap zich, in weerwil van de fysieke deceptie, verdiept.

 

Zomer 2002. Zes dagen na de geboorte van mijn eerste kleinkind ontmoeten mijn vriend en ik elkaar voor een nieuw fietsavontuur. Ontmoetingsplaats Maastricht. De dag tevoren ben ik langs de Zuid-Willemsvaart naar mijn moeder in Eijsden gefietst. Tijdens de overtocht per voetveer bij Uikhoven verneem ik van de veerwachter dat in de Tourétappe naar La Plagne een Nederlander op kop ligt. Hij is de naam vergeten! Gut, die Belgen toch. Ik kom op tijd in Bunde om op tv Michael Boogerd fantastisch te zien winnen. Dat geeft moraal voor de komende dagen.

Het is 25 juli. Op 30 juli zal in Bazel een treinkaartje voor de thuisreis klaarliggen. Mijn vriend is een doorgewinterde fietser, als je dat kunt zeggen van iemand die elke zomer, nu al vele jaren, de Franse wegen aandoet. Voor hem gaat de tocht naar Nice en het eerste gedeelte zullen we samen afleggen. En deze keer ben ik voorbereid. Na een miserabel begin van het jaar (slijmbeursontsteking, daarna longinfectie) ben ik half maart voldoende hersteld om met kleine trainingsritjes aan de conditie te werken. Te beginnen met 25 km in maart wordt de afstand geleidelijk groter in de komende maanden, maar belangrijker dan de afstand is de frequentie geworden. En ook al staan de afgelegde kilometers in het teken van een revanche, het plezier is helemaal terug. Een plezier dat velen die het begeren niet vergund is. Ja, die moralistische dooddoener moet er toch bij! De dankbaarheid dat je kunt en mag fietsen, en genieten van al datgene waartoe die competentie je in staat stelt, zal me mijn leven lang niet verlaten. En die doet alle geklaag over ongemak van welke soort ook onmiddellijk verstommen! Als het maar zo eenvoudig was. De rest van dit verslag zal het uitwijzen.

Voel ik mij lichamelijk nu beter toegerust, het vooruitzicht op een nieuwe en langduriger confrontatie met de Vogezen stelt ook eisen aan de materiële voorbereiding. Mijn nominale Geirnaert heeft jaren geleden een nieuwe laklaag gekregen en bij die gelegenheid werd de fiets van echte Eroba-transfers voorzien, nieuwe van de fabriek, dus jammer genoeg geen metalen balhoofdplaatje, maar toch. Nieuwe remgrepen op het stuur deden ook de remkabels onder het stuurlint verdwijnen. Nu volgt een nieuwe ingreep, die het klassieke uiterlijk nog verder aantast maar het rijgenot ongehoord doet toenemen: op 17 juli verdwijnen de toeclips en ervoor in de plaats komen SPD-pedalen en plaatjes in mijn AGU-fiets/wandelschoenen. Dat zal niet genoeg zijn, want ik herinner me nog levendig de Ballon-beklimming van zeven jaar geleden. Omdat het frame op royalere mogelijkheden niet berekend is, volsta ik op advies van de uiterst deskundige Jan van Katwijk met de vervanging van de grootste pion door een 26-er. Ik zal het dus moeten doen met 52/42 voor en 14/16/18/20/22/26 achter.

En inmiddels heeft de fietscomputer zijn plek veroverd.

 

Nooit te oud om te leren, wordt de Vogezentocht een keerpunt in mijn bestaan.

Dit waren de étappes:

25 juli Maastricht-Diekirch 155 km

26 juli Diekirch-Morhange 146 km   

27 juli Morhange-St.Blaise-la-Roche 103 km

28 juli St.Blaise-le Markstein 100 km

29 juli le Markstein-Bazel 110 km (nachttrein Bazel-Arnhem)

30 juli Arnhem-Dommelen 100 km

 

De 28ste juli, vergeef mij de dionysische metafoor, sterf ik als fietser om als fietser herboren te worden. Maar misschien moet eerst een materieel detail belicht worden. Dat betreft onze bagage. Omdat we de nacht doorbrengen in de hotels of pensions die zich aandienen en zodra de ledematen daarom vragen, is slechts een minimum aan bagage vereist, dat niettemin meegetorst moet worden. De ervaring om met rugbepakking te rijden is nieuw voor mij en het laat zich moeilijk inschatten hoezeer de rugzak zich niet alleen als gewicht laat gelden, maar ook doorweegt op het lichaam, op de zitbotten bijvoorbeeld en zo een percentueel te berekenen aanslag vormt op de beschikbare energie. Misschien kunnen medisch deskundigen hier hun licht eens over laten schijnen.

Na twee dagen waarin we behoorlijk opschieten en ik mezelf zeker in mijn verwachtingen overtref, wordt de derde dag besloten niet lang na de beklimming van de Donon (vanuit Raon). Viel die bult mij behoorlijk tegen, ook vanwege de harde wind, de tocht was toch maar volbracht en de dag van morgen zou alles weer anders zijn. En hier moet ik opnieuw een niet onbetekenend detail aanroeren, waarvan ik mij afvraag of dit op meerdere fietsers van toepassing is. Wat meer verantwoordelijk is voor dit ongemak, de ongekende vermoeidheid of de euforie na de geleverde inspanning, het blijkt niet eenvoudig na een fietsdag de slaap te vatten. Na een slapeloze nacht begint de vierde dag met een gemakkelijke beklimming van de Col de Saales. Ik probeer de open wonden op mijn zitvlak, al na enkele dagen opgelopen, te vergeten. Als ik een paar kilometer verder in de klim van de iets zwaardere Col de Ste. Marie mijn ritme gevonden denk te hebben, blokkeer ik bij het doorschakelen van 20 naar 22 tandjes ineens totaal. Meteen door naar de 26. Paniek als ik merk dat die geen enkel effect sorteert. Dit is geen klimmen meer, maar worstelen. Uitgeput kom ik boven, in de wetenschap dat de dag nog maar pas begonnen is en dat de krachten op zijn. Wat een aanloop naar het echte werk had moeten zijn, heeft mijn energie opgesoupeerd. Einde verhaal. Nou ja, einde, intussen zit je door eigen schuld mooi in Ste. Marie-aux-Mines, midden in de Vogezen en kom er maar eens uit. Ik stel mijn vriend voor dat onze wegen hier scheiden, dat ik de gemakkelijkste weg naar Colmar en vandaar naar Bazel zoek en de trein terug eerder neem. Ik sla nu het hoofdstuk vriendschap met al zijn bekende, maar ook onvermoede aspecten over en beperk mij tot de feiten:

Vanuit Ste. Marie ga ik niet richting Colmar, maar wij beklimmen de Col des Bagenelles. Bereid tot een laatste krachtsinspanning wil ik enerzijds demonstreren dat het niet aan mijn mentaliteit ligt, anderzijds duidelijk aantonen dat er niet meer inzit. Onder de maaltijd in het restaurant op de top valt na het noteren van de laatste gegevens (11,36 km in 51 minuten) mijn fietscomputer van tafel. Stuk!

 

De leerschool van Le Markstein

Deze omstandigheid wekt op slag een grote onverschilligheid voor welk wapenfeit dan ook. Hoewel ik twijfel aan een voortzetting van de tocht die de oorspronkelijke belofte van gezamenlijk fietsplezier inlost, aanvaard ik het routevoorstel voor de rest van de dag, maar vanuit het besef dat ik alle sportieve doelstellingen laat varen en, voor zover dat mogelijk is, het gemak ervan neem. En zo begin ik na de maaltijd en de rustpauze op de kleinste versnelling, 42x26 aan de Col du Bonhomme, met minimale inspanning. Mijn vriend is al snel uit het zicht verdwenen. Als de stijging van het wegdek het toelaat, versnel ik even, val dan weer terug op de slome pedaaltred van het begin, en zo verder, steeds het tempo afwisselend. Een computer die mij vertelt hoe langzaam het gaat, heb ik niet meer, het kan mij ook niet schelen. Ik kom vooruit en, bijna ongemerkt, ervaar ik zelfs een nieuw plezier. Over de Col du Louchbach gaat het naar de Col du Calvaire en vandaar via de Route des Crêtes naar de Col de la Schlucht. En verder langs de Hohneck over de Col du Herrenberg en de Col d’Hanenbrunnen. Het is zondag. Dagjesmensen plukken bosbessen op de hellingen, motoren razen door de bochten, het uitzicht op de meertjes beneden mij is adembenemend mooi. En hier fiets ik, ik denk aan mijn kleindochter, aan de inzinking van een paar uur geleden en bevind mij plotseling in een mentaal niemandsland. Alsof het plezier er is, maar geen verlof krijgt om door te breken. Ik ben op, ik wil afstappen, naar huis, komt er nooit een eind aan deze Route des Crêtes? Bij een hotel in Le Markstein houden we het deze dag voor gezien. We besluiten dat het moment is aangebroken waarop onze wegen scheiden. Ik zal een dag eerder in Bazel zijn dan voorzien. De volgende ochtend rijden we over de Grand Ballon, dalen af naar Willer-sur-Thur en nemen afscheid. Om mijzelf te bewijzen dat ik gisteren, ondanks alle negatieve bespiegelingen, een nieuwe fase in mijn fietsbestaan ben ingegaan, dat ik geleerd heb om zowel de hellingen als mijzelf te accepteren, trakteer ik mezelf op de Col du Hundsrück, zie af in de hitte en op de gemene steile stukken in de laatste kilometers.

Op het late middaguur arriveer ik in Bazel. De trein vertrekt pas tegen middernacht. Als ik, op een bank langs de Rijnoever het scheepvaartverkeer tussen de bruggen bekijk, is de gedachte van gisteren, om mijn fiets in Bazel achter te laten, verdwenen. Ik realiseer me dat ik voor het eerst van mijn leven in Zwitserland ben en dat mijn benen mij tot hier gebracht hebben. Dankbaar bekijk ik mijn trouwe karretje, al vanaf 1965 paraat, en op dat moment weet ik dat het niet bij deze tocht zal blijven.

 


HET PLAN

Nu ik, onder grote dankzegging aan mijn mentor, beter geleerd heb om omstandigheden van welke aard ook te accepteren, en ik in staat ben gebleken naast mijn wilskracht mijn vermogen tot luiheid aan te spreken, lijken ineens tal van verre doelen bereikbaar. In 2003 moet ik, met de geringste nadruk op dat ‘moet’, maar laten zien dat de rit naar Le Markstein een echte leerschool was. Als mijn benen mij tot Bazel konden brengen, Zwitserland bereikbaar bleek, al ging het maar om drie kilometer in het uiterste noordwesten, welk reisdoel komt dan nu in beeld? Nooit een liefhebber van het zuiden geweest, in 1964 bracht de militaire Lourdesbedevaart mij in Cirque de Gavarnie en dat bleef tot vandaag de dag de zuidelijkste plek waar ik ooit vertoefde, raak ik vervuld van het idee dat ik naar Italië zal gaan. Ook in Italië was ik nooit eerder. Zal ik naar Triëst gaan? Geïnspireerd door het prachtige boek van Jan Morris over deze stad, met dank aan de tipgever, lijkt Triëst mij een grandioze uitdaging. Dat wat ver weg is, nabij brengen. Triëst klinkt niet alleen naar een verre plek, maar ook naar een verre tijd. En past daar niet een langzame reis bij?

Na de droom de daad. Ai, het ligt echt ver weg. Als de kaart open voor mij op tafel ligt, moet ik concluderen dat deze afstand niet spoort met die andere intuïtieve opzet en die betreft het aantal dagen dat ik van mezelf, gelet op alle echtelijke, vaderlijke en grootvaderlijke verantwoordelijkheden, op reis mag gaan. Na de vijfdaagse die achter mij ligt, mag het dit keer een onsje meer worden, laten we zeggen het dubbele. En, als dat nog niet duidelijk was, ik zal deze keer alleen reizen.

Het wordt Italië. Gedachten aan oude pausen en keizers worden levendig, want om er te komen moet je over besneeuwde bergen. En hoe zat dat ook weer met Hannibal? Lang voor deze fietsplannen wist ik al dat, mocht ik ooit in Italië geraken, dat bij voorkeur niet per vliegtuig of per trein zou zijn, want wat zou mooier zijn dan het Romaanse Europa te ontdekken via een lange afdaling, vanaf de Alpenpassen zoals eertijds Goethe deed. Maar diens Reis naar Italië ving aan in Karlsbad. Kan een gedeelte van de reis dan samenvallen? En ik herlees de eerste hoofdstukken uit genoemd boek tot de aankomst in Verona, zoek alle plaatsen en plaatsjes op die Goethe aandeed. De reis zou over de Brenner Pas moeten gaan. Maar eerst dringt zich een complicatie op. Hoe kom ik straks thuis? Het aardige van zo’n lange tocht schuilt in een drievoudige beloning: het genot van de reis zelf door telkens wisselende landschappen, het bereiken van een ver reisdoel en de zekerheid dat je dat hele stuk niet meer fietsend terug hoeft. Toegegeven, die laatste overweging is arbitrair en zal niet door alle fietsers beaamd worden, en hier las ik opnieuw een vraag aan deskundigen in: hoever ga je van huis als je weet dat je nog terug moet, met andere woorden hoe wijd is de lus die je tekent, waar ligt het denkbeeldige punt van terugkeer, en vooral hoe dankbaar of juist irritant is dat?

Het is tijd voor nieuwe ontdekkingen. Die hebben namen als de Fietsvakantiewinkel, Cycletours, ik bezoek de fietsvakantiebeurs in het Belgische Rétie. Wel of niet een terugreis met vaste datum boeken? Is het niet beter om te kijken waar je benen je brengen en dan naar bevind van zaken te handelen? We zijn nu het hoofdstuk voorbereidingen genaderd, maar eerst moet nog beslist worden. Na lang wikken en wegen en speurwerk in de brochures besluit ik het erop te wagen. Bussen van Cycletours doen Riva, Verona en Mestre aan. Ik boek een terugreis vanuit Verona.

 


VOORBEREIDINGEN  

Als het idee zich heeft genesteld, na een onherroepelijk besluit, eist de route alle aandacht op. Hoe kom ik in Verona en hoe lang doe ik erover? Dat zijn de vragen waar het om draait en de antwoorden variëren voorlopig van dag tot dag. En naarmate delen van de puzzel een vaste plek krijgen, stijgt de innerlijke overtuiging dat dit moet lukken. Want laat ik eerlijk zijn, hoe enerverend mijn beroepsleven ook is, hoe zegenrijk de familiale omstandigheden, er gaat geen dag voorbij zonder gedachten over de tocht, over de mogelijkheden en de moeite die het zal kosten, en steeds veelvuldiger worden de blikken op de kaart, ook nadat de route in grote lijnen vaststaat. Door het in gedachten inprenten van al die rode, gele en witte weggetjes met hun aanduidingen over afstanden en hoogteverschillen, van al die stadjes en dorpjes met eertijds onbekende namen, wordt langzaam maar zeker het moreel gesterkt.

 

Zonder kaarten gaat het niet.

De atlaskaart levert het eerste mastershot. Hoe zal ik de potloodstreep trekken? Vanuit Dommelen naar Verona? Of tussen twee zekere punten op de route? Een ooit bij De Slegte gekochte kaart van Italië, Michelin 988 uit 1968, fungeert als volgend hulpmiddel en verder de recente kaart van Duitsland, Michelin 984. Inmiddels lees ik gretig enkele reisverslagen vanuit Nederland naar bestemmingen in Italië, omdat zij mogelijk nuttige wenken, suggesties en waarschuwingen kunnen bevatten. O.a. lees ik met veel sympathie en bewondering het verslag van (oud)leerlingen van het Wartburgcollege, eindredactie Teus Westeneng, over hun bijbels geïnspireerde reis naar Rome in 2001.

Hoe dan ook zal ik Eijsden aandoen, dat ik als mijn eigenlijke vertrekplaats beschouw. De kortste route gaat door Duitsland, maar is dat ook de makkelijkste? De gedachte aan een tocht langs de Rijn om dan bij Bazel af te buigen, wordt echter snel verlaten, want ik word gefascineerd door de ligging van Gaggenau, exact op een van de mogelijke potloodstrepen, van Maastricht naar Bregenz aan het eind van het Bodenmeer. In het laatste weekend van maart zal ik in Gaggenau een seminar leiden, in de Schloßakademie Bad Rotenfels, voor de derde keer sedert ik in 1998 Duitsland voor het eerst anders leerde kennen dan als doorgangsland naar het bootveer, op weg naar Scandinavische vakantiebestemmingen. De deelnemers aan dat seminar zijn uit vele windstreken afkomstig, van Koblenz tot München, maar ook uit Gaggenau zelf en als ik mijn vakantieplan bij gelegenheid prijsgeef, volgt de hartelijke uitnodiging om te overnachten vanzelf. Zo wordt de route gefixeerd en kunnen de detailkaarten geraadpleegd worden. Ik prijs mij gelukkig dat de fiets- en reislust van mijn ouders tot een indrukwekkend kaartenbestand heeft geleid, want Michelin schijnt zijn 1:200.000 kaarten voor Duitsland te hebben opgedoekt en vervangen door Regionalkarten van 1:300.000. Thuis in Eijsden vind ik de Michelinkaarten 203(1983) en 205(1979). Beide kaarten sluiten diagonaal op elkaar aan en uiteindelijk brengt kaart 57, nog van mijn Vogezenreis, de oplossing voor een ontbrekend stukje rond Pirmasens. Dat stukje, ca. 10x15 cm, kopieer ik om geen onnodige papierballast mee te nemen. Dat geldt ook voor de kaart die ik van een familielid meekreeg, Alto Adige/Trentino, 1:250.000 van Kompass. Die kaart gaat niet mee, ik kopieer het stuk vanaf Salorno. De rest van de route, met één zeer kleine uitzondering, wordt afgedekt door de aangeschafte Michelinkaarten 216 en 218.

 

 

Welke keuzes moesten gemaakt? Boven of beneden langs het Bodenmeer, door Oostenrijk over de Nauderspas, of over de Timmelsjoch, of via Zwitserland? De Brennerpas, om in de voetsporen van Goethe te blijven, ligt toch wel erg ver naar het oosten, maar zou het niet van een verwante geesteshouding getuigen om Italië vanaf het hoogste punt binnen te rijden? En al weet ik naar verhouding weinig van de mythes rond de Giro d’Italia, terwijl ik toch naar horen zeggen als jongetje door Fausto Coppi zelf gezegend werd (toen de squadra in 1948 per trein in Valkenburg arriveerde), de naam Stelvio gaat nu als een mantra fungeren.

De route neemt steeds resoluter vorm aan. Bijkomend gemak is dat je in bergachtig landschap weinig te willen hebt. Om over de Stelvio te geraken als eerste kennismaking met Italië zal ik vanuit het Zwitserse Sankta Maria de klim moeten aanvatten. Strikt genomen betreft het de Pass Umbrail en kan ik de top van de Stelvio zelfs links laten liggen om af te dalen naar Bormio. Wat mij vandaar tot Verona te wachten staat, oogt echter minder ontspannend dan een verkwikkende afdaling via het Adigedal. En ik wilde vanaf Merano toch ook een beetje met Goethe in de pas blijven? En nog een mogelijkheid doet zich voor. Om in Sankta Maria te komen moet ik over de Flüelapass en de Ofenpass en als straks blijkt dat die toppen er teveel aan waren, kan ik de Stelvio ontwijken door via Müstaïr naar Glurns af te dalen en zo het Adigedal inrijden.

Staat het tweede gedeelte van de tocht zo goed als vast, de potloodstreep door Duitsland baart mij meer zorgen. Indachtig de eerste étappe van de Vogezentocht, toen van Maastricht naar Diekirch werd gefietst, moet een vergelijkbare afstand op de eerste dag nu ook mogelijk zijn. Het zal in zekere zin een jubileum worden, want precies vijftig jaar geleden kreeg ik mijn eerste fiets, een Tesor gekocht bij de fa. Bouckaert op de Maastrichtse Markt, en nadat ik onder de hoede van mijn vader het fietsen onder de knie had gekregen, beloonde hij deze prestatie met een gezamenlijke tocht naar Monschau. Een dag heen, een dag in de omgeving (Schwammenauelersee en Himmelsleiter staan me nog voor de geest) en een dag terug. Ik besluit mijn fietsavontuur mede aan mijn vader op te dragen en na vijftig jaar opnieuw een bezoek aan Monschau te brengen. De étappe vanuit Eijsden zal dus door de Eifel gaan en ik stel mij Trier als doel. Maar dan? Vandaar moet ik richting Gaggenau. Als ik op een zondagmiddag mij wat dieper over de kaart buig en de ene na de andere poging start om via de kronkelende wegen in sterk heuvelend terrein een zuidoostelijke koers aan te houden, slaat de schrik toe. Hoeveel kilometers moet ik wel maken om hemelsbreed een paar kaartcentimeters vooruit te komen? De Hunsrückpuzzel kost mij de meeste hoofdbrekens, het wordt naar verwachting een zware dag straks, en even heb ik aan de mogelijkheid van de totale onderneming getwijfeld.

Maar dan komt de dag waarop ik aan mijzelf het rittenschema presenteer. Omdat ik rekening houd met de behoefte aan een rustdag en met tegenslag, beperk ik de lengte van de ritten in Italië en creëer ik bij aankomst te Verona een extra dag voor stadsbezoek in afwachting van het vertrek ’s avonds laat. De derde étappe naar Gaggenau gaat door relatief makkelijk terrein en is ook beperkt, zodat ik eventueel mijn “Hunsrückdag” kan inkorten.

 

Hoewel ik ook nu op de bonnefooi vertrek, lijkt het me niet onverstandig om wat gegevens over mogelijke pleisterplaatsen en overnachtingsmogelijkheden vooraf te verzamelen en op een minuscuul papiertje te noteren. Behalve het internet is een interessante hulp de Bett & Bike Deutschland –uitgave van de ADFC, gekocht tijdens de vakantiemarkt in Rétie. In de buurt van Trier kies ik een hotel in Kordel uit als eerste overnachtingsplek. Verder noteer ik hotels in de omgeving van Pirmasens, Tuttlingen en zelfs een hotel in het Italiaanse Naturns. Iets minder vertrouwen heb ik in Sankta Maria. Een kleine plaats, ingeklemd tussen de Alpen, heeft waarschijnlijk veel zomergasten bij beperkte accommodatie. En natuurlijk moet er ook nog naar de prijs gekeken worden! Dus neem ik twee weken voor vertrek contact op met een hotel in die plaats, noem een vermoedelijke aankomstdatum en vraag of daar eventueel van afgeweken kan worden. Het antwoord is geruststellend: accommodatie volop in de genoemde periode. En zo ziet het schema er dan uit, en het geschatte aantal kilometers:

 

29/7  Dommelen - Eijsden              95

30/7  Eijsden – Trier                   155

31/7  Trier – Pirmasens               130

 1/8  Pirmasens – Gaggenau           85

 2/8  Gaggenau – Tuttlingen         128

 3/8  Tuttlingen – Bregenz            100

 4/8  Bregenz – Davos                116

 5/8  Davos – Sankta Maria             70

 6/8  Sankta Maria – Merano           94

 7/8  Merano – Rovereto              105

 8/8    Rovereto – Verona                       70

Op 9 augustus zal de bus van Cycletours pas ’s avonds laat vertrekken, zodat ik eventueel die hele dag nog fietsend kan benutten.

Naast de routeplanning moeten nog drie andere voorbereidingssegmenten genoemd: fysiek, materieel en cultureel. Om met dat laatste te beginnen. Het zal in Italië op zeker ogenblik vast van pas komen om een beetje Italiaans te begrijpen en te spreken. En dus oefen ik aan de hand van een boekje dat een zekere kennis bij minimale inspanning in het vooruitzicht stelt. Ik kan het iedereen aanbevelen die toch geen kans ziet om langdurig werk te maken van een serieuze cursus. Snel en Vlot Italiaans leren spreken en begrijpen uit de Teach yourself-serie van Deltas vond ik een verantwoorde aanschaf, omdat het geen andere pretenties heeft dan de lezer iets bij te brengen die zich gedurende zes weken 35 minuten per dag wil inspannen. En ik was er content mee.

 

Adio Eroba

Fysiek liep de voorbereiding volgens een vergelijkbaar schema als in 2002. Vanaf februari  haalde ik op 55 dagen de racefiets van stal, met een gemiddelde afstand van 55 km per keer. Samen iets meer dan 3000 km. Fysieke zorgen heb ik om mijn zitvlak, dat vorige keer behoorlijk gehavend werd. De beste resultaten geeft de broek met ingevet zeemleer, maar die wordt zwaar in regenweer en droogt te langzaam na een wasbeurt.

Zo komen we bij de materiële voorbereiding. Ik maak mijzelf niets wijs. Via het internet ben ik op sites terechtgekomen die keurig in kaart gebrachte bergprofielen tonen: de Pass Umbrail met 13,4 kilometer tegen een stijging van gemiddeld 8,7 %  lijkt mij onbegonnen werk  op een fiets die als kleinste versnelling 42x26 heeft. Maar wat dan? Mijn oude trouwe Eroba toch maar laten reviseren? Of mijzelf in dit jubileumfietsjaar eindelijk belonen met een gloednieuwe fiets? De keuze is een hartverscheurende. Niet te vroeg, pas enige weken voor mijn vertrek, besluit ik tot de aanschaf van een Pinarello Monviso. En hoewel het een prachtig karretje is, voel ik al vlug spijt. Het veel bredere stuur vraagt om aanpassing, op het iets kortere frame zijn alle maten hetzelfde gebleven, maar ik ervaar mijn fietslijf niet meer als een eenheid. Of ik uit drie delen besta die opnieuw gecoördineerd moeten worden. En om nou te zeggen dat deze fiets zoveel lekkerder rijdt … En de kleur bevalt me eigenlijk ook niet, blauwpaarsroze in plaats van simpel rood. Pas als ik in Zuidlimburg voorzichtig wat hellingen beklim om de verzetten uit te proberen, breekt voorzichtig vertrouwen door.

Met een voorblad 52/42/30 en achter 13/15/16/17/18/19/21/23/26 zie ik er wellicht minder sportief uit, maar een reiziger met rugzak zal men zijn triple wel vergeven. Het is dat een racefiets zonder groot voorblad geen gezicht is, anders zou ik met enkel 42/30 ook content zijn geweest. Ik gebruik het grote blad nooit! Dat heb je nodig om heel hard te gaan, maar wie zich lekker voelt bij een trapfrequentie die varieert van 84 tot 90 omwentelingen/min, met af en toe uitschieters naar boven, kan op het binnenblad een lekkere toursnelheid halen.

En verder, snelheden zijn leuk vergelijkingsmateriaal op een lokaal bekend rondje dat je enkel voor de conditie rijdt, maar tijdens een fietsvakantie van geen enkel belang.

Op alweer een minuscuul in plastic gehuld papiertje neem ik een schemaatje van te gebruiken verzetten mee, met daarachter de trapfrequentie en het erbij horende uurgemiddelde. Voor het vlakke noteer ik 90 en 84 omwentelingen, voor het klimmen 60 en 50. Dat levert interessante getallen op, die me wellicht helpen om tijdens het rijden tijdig te schakelen. Zo laat het schema zien dat

A)   bij een trapfrequentie van 50/min op het verzet 42x21 even hard wordt gereden (12 ½  km/u) als bij een trapfrequentie 60/min op het verzet 30x18. Maar ook dat

B)   een snelheid van 17 ½ km/u zowel wordt gehaald op 42x18 in 60 omwentelingen/min als op 30x18 in 84 omwentelingen.

In geval A) lijkt de hogere trapfrequentie het klimmen lichter te maken, in geval B) denk ik dat juist de lagere frequentie krachten spaart. Deskundige suggesties op dit punt stel ik zeer op prijs.

Beneden in het schema wijst de laagst genoteerde trapfrequentie bij mijn kleinst mogelijke verzet 30x26 een gemiddelde van 7,2 km/u aan. Als dat straks tijdens de beklimming van de Umbrail de werkelijkheid is, klaar ik die berg toch nog altijd binnen twee uur! Naar de Stelviotop zijn het dan nog drie kilometer, die kunnen de pret niet meer drukken en dan ligt er nog een mooie fietsmiddag voor me waarin ik zo diep mogelijk in Italië ga afdalen. Denk ik, hoop ik, verwacht ik. En als het daar boven bliksemt en onweert?

 

En dan breekt de dag van vertrek aan en vervloek ik bijna het moment waarop ik me aan die Pinarello waagde. Een paar weken geleden verloor ik bijna een drinkbus omdat de bout van de bidonhouder het begaf, misschien omdat deze niet lang genoeg was om ook de onder de bidonhouder geklemde pomphouder te borgen. Definitief herstel bleek moeilijk omdat de schroefdraad in de bus beschadigd was, maar ik had vrede met de kleine speling. Tot de dag van vertrek. Het lichte tinkelen maakte nerveus. Terug naar de als altijd uiterst hulpvaardige Jan van Katwijk, die onmiddellijk besluit dat dergelijk malheur met een bidonhouder onder geen omstandigheden geaccepteerd kon worden. Maar wat een fluitje van een cent belooft te worden, wordt bijna een catastrofe. Nadat het tappen van nieuwe schroefdraad is mislukt, breekt de bus af en verdwijnt in het frame en bij beide partijen verschijnen de eerste zweetdruppels. Om kort te gaan, een half uur later zijn de gedachten aan onvermoed hergebruik van de Eroba verdwenen. Jan heeft het gefikst. Mijn bidonhouders zitten muurvast en terug thuis kan gepakt worden. Het is dinsdag 29 juli.

 

De rugzak is een fraai exemplaar, een blauwe C-tec, na lang zoeken op vakantie in De Achterhoek gekocht. Wat er aan canvas riemen teveel aan is, wordt afgeknipt en getaped. De riem met grappig knipperlampje gaat er ook af, maar het lampje zelf neem ik mee. Je weet nooit.

Sinds mijn Vogezenavontuur weet ik vrij nauwkeurig wat er ingepakt moet worden. En het huishoudweegschaaltje bewijst weer zijn diensten. Als er 20 gram winst op enig onderdeel geboekt kan worden zal ik het niet laten. Zo ziet de reiziger er bij vertrek uit.

 

Op de man

Een Agu-zweetshirt

Een zwarte Santini koersbroek

Een parelgrijs Descente wielershirt, blauw-wit-zwart belijnd zonder verdere opdruk (want ik verafschuw shirtreclame waarvoor je niet betaald wordt)

Descente wielersokjes

Agu-fietsloopschoenen

Shimano-handschoentjes

Een Azzuri-pet

Mijn bril met voorzet-zonneglazen

In de achterzak een zwart gevoerd reisétui met daarin: een paar bankbiljetten en munten, mijn identiteitskaart, Postbankgiropas, ANWB-Visacard, reisverzekeringsbewijs, ticket voor de terugreis per bus, minuscule kaartjes met verzetten, adressen en bergprofielen (Ofenpass en Pass Umbrail), verder een paar fruitrepen.

 

Op de fiets

Twee bidons (Isostar voor, Aqua als bijvuller achter)

Een Zefalpompje

Een Cateye Velo 2 computer

Een Sci-Con zadeltasje met binnenband, bandenlichters, solutie, plakkers, Schwalbe-spanningsmetertje, ventielverloopstuk, 3 inbussleuteltjes en een lichtgewicht kabelslot

Een opgevouwen Shimano-regenjack, 270 gram met klittenband aan frame (later in rugzak)

Een Agu-helm, 280 gram aan zadeltas (later aan het stuur) 

 

In de rugzak (leeg gewicht 550 gram).

Een extra paar sokjes 35 gram

Een paar lichte leren instappers (Apache) samen 390 gram

Twee slipjes samen 100 gram

Een lichtgewicht lange vrijetijdsbroek 275 gram

Een Shimano-vrijetijdshemd 200 gram

Een Shimano-fleecetruitje 185 gram

Een Gonso-windjack 145 gram

Een toilettasje met scheerkwast, plastic krabbertje, minitube tandpasta, tweedelige tandenborstel, kleine plastic kokertjes met (scheer)zeep, gezichtscrême, Natusan en zeemleercrême

De Michelinkaarten 203, 205, 216, 218 en de twee kleine papiertjes met kaartkopieën

Mijn gsm (90 gram) past in een vakje op de schouderband;

in andere aparte vakken gaan nog mee:

de gsm-oplader (60 gram), een kammetje, een tube zonnecrême, Labello, een anti-insectenbetenstift, pleisters, een busje jodium, een schaartje, een (reserve)sportbril,

een nylon koordje van ca. 3 meter en 6 lichte wasknijpers,

een Kruidvat-wegwerpcamera;

een smal notitieboekje dat nog van mijn Vogezenreis over is, pen en potlood;

tot het gewicht dat gedurende de reis zal afnemen behoren dan het restant SunBest fruitrepen en een 400 gramsbus Isostar in poedervorm.

 

Omtrent het meevoeren van de bagage heb ik lang getwijfeld: zou het niet aangenamer zijn de rug te ontlasten en een bagagedrager te monteren? Op de oude Eroba zou dat een optie zijn geweest omdat er aparte nokjes op de patten zaten om steunen aan te bevestigen. Op mijn Pinarello zou ik eerder moeten denken aan zo’n lomp geval dat om de zadelpen geklemd wordt. En dan is er nog het onzinnige gepieker over de esthetiek van het geheel: is een man met rugzak op racefiets een nobeler gestalte dan met bagage achterop?

 

Ik ga op weg, met bepakking op de rug, verheugd om het nieuwe materiaal en toch met een spoor van verraad in mijn ziel. Is dit mijn fiets? Had die ultieme tocht, gesteld dat deze die naam verdient of het zal blijken te zijn, niet voltooid kunnen worden op het trouwe kader dat mij al 38 jaar trouw gediend heeft? Ik laat mijn fiets achter. Mijn Eroba blijft in Nederland. Ik ga op weg naar een land dat ik niet ken, maar op materiaal dat er de lof van zingt.

 


Dinsdag 29 juli

DOMMELEN – EIJSDEN

 

Ik vergat iets te melden. In mijn toilettasje bevindt zich een strip slaaptabletten, zonder bezwaar vanmorgen door mijn huisarts verstrekt, ter geruststelling voor het geval dat.

Na de huisarts volgde het bezoek aan mijn fietsdealer. ’s Middags stond nog een afspraak met de kapper op de agenda, maar die heb ik geannuleerd. Geen tijd. Mijn buurmeisje is kapster en gisteren heeft zij mij thuis wat bijgeknipt, nek uitgeschoren enzovoort. Een fris gevoel. Camera en zonnebrand waren de laatste inkopen. Ik rij nog even voor een afscheid langs de werkplek van mijn oudste zoon. Thuis krijg ik telefoon van iemand die na de vakantie een werkafspraak wil maken. Zo, die afspraak staat in de agenda, maar nou even geen werk. Afscheid van mijn vrouw. Tot over bijna twee weken.

 

Er staat een harde zuidenwind. Natuurlijk mag hij wat mij betreft gaan liggen, maar ik zal niet klagen, heb geleerd te accepteren wat zich aandient.

Op de klinkers in Valkenswaard, na amper 3 kilometer, voel ik het gewicht van de rugzak. Iets meer dan 3 kg neem ik mee, dat is toch niet veel, maar ik heb nou al een hard hoofd in de hele onderneming. Eigenlijk telt deze dag niet mee als fietsdag, vind ik. Daarvoor ben ik te laat vertrokken, half drie ’s middags, en bovendien is het traject tot Eijsden zo goed als bekend. Ik heb maar een van beide bidons gevuld. De avond zal ik bij mijn moeder doorbrengen, morgenvroeg bij het vertrek mijn vader en zus met een bloemengroet gedenken en dan ga ik voor mijn gevoel echt op reis. Nu fiets ik naar Eijsden als opwarming

Via het centrum van Valkenswaard gaat het richting rotonde Maastrichterweg, vandaar het kaarsrechte stuk naar Achel. Voorbij Achel, verkeerskruispunt en spoorwegovergang naar Sint-Huibrechts-Lille. Vlak voor het oprijden van de kanaalbrug linksaf het fietspad op en dan hoef ik enkel de knooppuntenroute te volgen. Die heb ik voor alle zekerheid achter op mijn verzettentabelletje geschreven. In één opzicht ga ik van de bekende route afwijken: dit keer geen voetveer bij Uikhoven om via Geulle, Bunde en Maastricht te rijden, of nog eerder de kanaalroute verlaten bij Dilsen-Stokkem, zoals ik vroeger deed, om dan het veer bij Berg aan de Maas te nemen; deze keer zal ik de kanaalroute om Maastricht heen voltooien en op Belgisch grondgebied blijven tot voorbij Eijsden.

De volgende routenummers zijn mijn gids: 213 – 212 – 08 – 07 – 11 – 12 –13 – 47 - 44 – 48 – 55 – 56 – 57 – 58 – 54 – 59 – 88. Vandaar naar Kanne en Caestert.

De harde wind blijft en tussen knooppunt 48 en 55 zie ik af. Bij knooppunt 55 maak ik een stop. Ik heb dan ruim 51 km gefietst, gemiddeld 26/u.

Het tweede deel van de rit herinner ik mij als slopend.

Al die tijd heb ik pijltjes en cijfers goed in het oog gehouden, maar bij Gellik gaat het mis. Een bord vertelt mij dat dit de juiste richting naar camping De Kriekaart is. Tjee, die camping ken ik! Ligt midden in de bossen, kan niet de bedoeling zijn. En zo leg ik de eerste omrijd-kilometers af. Terug op het goede pad gaat het nu naar Veldwezelt. Daar verandert het fietspad in een echte kasseistrook. In een afdalinkje van die strook rij ik onder dicht gebladerte een moddergoot in. Ik heb er wel schik in, dit is een parcours dat je eerder in Parijs-Roubaix verwacht. De weersvoorspellingen zijn niet gunstig, maar op dit moment van de dag breekt de zon stekend door en wanneer ik bij knooppunt 80 met een pittige stijging en harde wind wordt geconfronteerd, verwens ik mijn kortzichtigheid om maar één gevulde bidon mee te nemen. Ik neem een foto bij een brug over het Albertkanaal omdat het uitzicht op de kalkrotswanden en het vergezicht daarachter zo buitenlands aandoet. Over glooiende weg naar Neerkanne. Daar vraag ik de weg om weer op het goede kanaalpad richting Eijsden te komen. Frans is hier de voertaal en Eijsden heeft voor sommigen geen bekende klank. Dat herinnert mij aan de waarschuwing van mijn mentor, die nu ergens in Zuid-Frankrijk fietst, om nooit de weg te vragen, om de simpele reden dat men die niet weet! De fietser met zijn zorgvuldige kaartstudie vooraf en tijdens de reis is de autochtoon in wegenkennis de baas! Maar van dit stukje heb ik geen kaart! De dorst wordt onderhand kwellend en op het lange stuk kanaalfietspad richting Lixhe kom ik helemaal stuk te zitten.

Rij ik niet te ver? Had ik niet allang ergens van dit pad af gemoeten? Eindelijk kom ik bij het brugcomplex, vanwaar ik via scherpe bochten richting Caestert rijd, waar de Maas Nederland binnenstroomt. Hier ken ik de weg weer van het dorp, waar ik gewoond heb.

Als ik thuis bij mijn moeder de computer raadpleeg, blijkt de afstand ondanks 2 km omrijden mee te vallen (of beter tegen te vallen)

 

Totaal 92 km

Gemiddeld 25.1

 


Woensdag 30 juli

EIJSDEN – KORDEL

 

Gisteravond was het nog heerlijk weer. Na wielerwas en douche met mijn moeder gegeten buiten bij Café-Restaurant La Meuse, lasagna met salade en een halve liter bier, daarna nog een expositie bezocht met werk van een schilderende zus. Maar ik was te moe om echte aandacht voor haar kleurrijke resultaat te hebben. Mijn ogen vielen zowat dicht. Eenmaal in bed wilde de slaap echter niet komen.

 

THEMA’S ALS VROEG INTERMEZZO

Dit is de goede plek om een aantal ervaringen thematisch te behandelen, om niet telkens in details te vervallen.

 

Thema een. Elke fietsdag eindigt met de onmiddellijke zorg voor materiaal en lichaam. Zodra de overnachtingsplek vaststaat, gaat de eerste zorg uit naar het veilig bewaren van de fiets. Op de kamer aangekomen volgt de wasbeurt van de bezwete en doorweekte kleding. Als wasmiddel volstaat meestal wat de kamer aan extra zeep (shampoo, douchegel, alles is goed) te bieden heeft. Waar dergelijke middelen ontbreken, vraag ik eenvoudig naar waspoeder uit de waskeuken van het hotel. Na het wassen, uitspoelen en in een handdoek uitwringen van het lichte sneldrogende goed breekt een spannend moment aan: van welke schroef tot welk scharnier, van welke stang tot welke deurknop ga ik mijn koordje spannen om de was aan op te hangen? Zoveel kamers, zoveel manieren.  Als de was hangt, is de man zelf aan de beurt. Lekker douchen, herboren worden. Als de vrijetijdskleding is aangeschoten ziet niemand nog een fietstoerist in me en kan ik me in elke gelegenheid vertonen. Nu nog de inwendige mens. De maaltijd wordt besteld, maar voor deze wordt opgediend is daar eerst het koele bier. Ziehier het ritueel van elke dag, inclusief het meest intense genot. Die slok bier, mensen! Als die eerste slok naar binnen klokt, weet je pas waarvoor je dit allemaal doet. Vaak gaan mijn gedachten dan terug naar dat Bière d’Alsace, nu acht jaar geleden.

Tijdens en na de maaltijd is er enkel stille mijmering, het dankbaar in je opnemen van die nieuwe omgeving die op eigen kracht bereikt werd en je geheel daaraan overgeven.

 

Thema twee is vanuit het hiervoor geschetste perspectief niet goed verklaarbaar. De grote innerlijke vrede zou toch moeten leiden tot een onbekommerde diepe slaap. En hoe vaak ik daar ook op vertrouw, in mijn dagelijks bestaan slaap ik voortreffelijk, ik word telkens weer verrast door het uitblijven daarvan. Zo rond half twee in de nacht is het dan welletjes en breek ik een slaaptablet doormidden. Dat halve tablet blijkt voldoende om in te slapen en toch met een fit gevoel wakker te worden. Zo ging het tien dagen achtereen tot en met de busreis terug.

 

Thema drie. De gemiddelde snelheid. Reed ik langs het overbekende kanaalfietspad nog een stevig gemiddelde tegen harde wind in, de komende dagen wordt dit begrip een lachertje. De wind blijft uit het zuiden waaien, de eerste vier dagen van hard afzwakkend tot matig, daarna slaat vooral de hitte toe. De meest funeste invloed op het fietstempo heeft het kaartlezen. Vooraf heb je de route in je hoofd geprent, maar onderweg doen zich zo onnoemelijk veel twijfelgevallen voor, of je laat je verleiden speciale fietspaden te volgen, of de situatie ter plekke dwingt je tot keuzes die je niet had voorzien, dat het scenario: afstappen, rugzak afleggen, kaart raadplegen, kaart wegstoppen, rugzak omhangen, opstappen soms vier keer binnen een kilometer herhaald wordt. En als dat scenario eenmaal in gang is gezet, weet je van jezelf dat je ontzettend aan het klooien bent en dat de vaart er die dag niet meer echt lekker in komt. Zo ging het gelukkig niét elke dag.

Einde intermezzo.

 

Na driekwart slaaptablet vol goede moed ontwaakt. Buiten plenst de regen neer. Als de ergste bui voorbij lijkt, heeft langer wachten geen zin meer. Ik moet tenslotte naar Kordel. Kordel ligt noordelijk van Trier, en aan de goede route in zuidoostelijke richting. Omdat ik een paar jaar geleden met mijn vrouw een geweldig weekend in Trier doorbracht, ga ik aan die stad nu met een gerust hart voorbij. In Kordel heb ik alvast een hotel geboekt. Het is ver, maar ik heb met mezelf afgesproken dat ik daar aan zal komen, al is het op mijn tandvlees.

De reis begint in volledig regentenue. Twee foto’s besteed ik aan de rustplaatsen van mijn dierbaren. De opnamen blijken later volledig mislukt, zo donker is het buiten. Na deze piëteitvolle handelingen, een afsmeken van zegen over deze reis, rij ik naar de grens met België. Hier eindigt de geneutraliseerde zone en zet ik de teller op 0.

De rugzak voelt goed.

De route gaat van Withuis via Berneau en Warsage naar Henri-Chapelle. Ik kende de hellingen in de Voerstreek van mijn reis verleden jaar, maar ze duren toch knap lang, vooral die bij Welkenraedt.

Het weer blijft triest. Een vuilniswagen in de regen zorgt voor een somber decor. Van Welkenraedt gaat het naar Membach en vandaar via een smalle binnenweg naar Eupen. Over een spekgladde rotonde in de verregende binnenstad kom ik op de weg naar Monschau. Een lange klim, maar toch minder steil dan de weg naar de Baraque Michel. Op deze weg heb ik dus vijftig jaar geleden met mijn vader gefietst! En sinds die tijd is er niets meer aan het wegdek gedaan! Mijn God, wat is dit een rampzalig plaveisel. Dit lijkt de DDR van tien jaar geleden, alsof oorlogstanks de boel hebben stukgereden.

Na 2 uur 28 minuten ben ik in Monschau. Ik heb 52 ½ km gefietst, gemiddeld 21,1.

 

De binnenstad is ondanks de neerdalende regen druk. Vandaag geen bezoek aan de burchtruïne die historisch met mijn vaderstad verbonden is (graaf Walram van Montjoie verleende Sittard stadsrecht in 1243). Als ik aan een inwoner vraag of Monschau nog een Hotel Zum Stern rijk is, complimenteert hij mij met mijn keuze: “eine gute Adresse” en wijst mij de weg. In 1953 koos mijn vader dit hotel uit en daar ligt het of er niets veranderd is. Ik maak een foto. De smalle smeedijzeren brug over het water (is dit de Schwalm?), de gelagkamer, de trappen naar de achtergelegen kamers en toiletten, alles is onveranderd gebleven, denk ik, want hoe nauwkeurig is mijn herinnering? “Wo willst du hin?” hoor ik de roodharige dame vragen als ik over de rode cocosloper naar mijn kamer ren. “Even mein vesje holen” antwoord ik lang geleden. De roodharige dame is er niet meer, wel vriendelijke andere dames bij wie ik een Strammer Max met koffie bestel. Met verkleumde vingers noteer ik de reisgegevens in mijn boekje. Mijn regenkleding heb ik uitgetrokken, maar daaronder ben ik doornat en ik ril van de kou. Bij het weggaan vergeet ik bijna mijn helm. Als ik mijn fietsslot verwijder (altijd de fiets binnen oogbereik houden) kom ik in contact met twee dames die ook naar binnen willen. Gedurende dit uiterst korte onderhoud, waarin ik naar de weg naar Höfen vraag, komt als terloops mijn reisdoel ter sprake. Italië? De blonde dame werpt een niet-begrijpende blik op mijn rugzak. Haar dochter heeft ook plannen voor een fietstocht naar het zuiden, maar de minimale bagage die ik bij me heb, lijkt haar geen te adviseren oplossing: “Nein, das ist zu wenig”.

 

Vanuit Monschau volgt een steile klim naar Höfen. Ik volg de weg richting Schleiden. Bij Wahlerscheid sla ik rechtsaf op een mistroostige driesprong. Door het bos België in, naar Rocherath en vandaar naar Murrange. Korte klimmetjes. Even een pauze onder een boerenafdak om mijn brillenglazen droog te wrijven. Maar waarmee? Als ik via een binnenweggetje op de N32 ben aangekomen, deert de regen mij al niet meer en verheug ik me op een poosje lekker opschieten. Gehuchtjes heten hier Losheimergraben, Losheim en Kehr. Weer terug in Duitsland. Mooshaus, Knaufspesch. Een van de sensaties van reizen is de ongelooflijke ervaring dat al die namen op de kaart een pendant in de werkelijkheid hebben en op de fiets ervaar je dat naar mijn smaak beter dan in de auto.

De stad Prüm dient zich aan na een lekkere afdaling, dat wordt straks weer klimmen. Uit solidariteit met Monschau begroet ook Prüm mij met stromende regen.

Ik heb nu 4 uur en drie kwartier gefietst in totaal, de teller staat op 103,6. Het gemiddelde is nu 21,7.

Het is al vier uur in de middag. Ook hier vakantiedrukte in een mooi Eifelstadje. Een centraal gelegen restaurant heeft een groot terras waar de bezoekers zich onder de parasols verdringen. Daar zet ik mijn fiets op slot en bestel koffie met Apfelstrudel. En zoek een andere plek. De regen drupt overal doorheen. Een dienstertje weet te vertellen dat de parasols pas nieuw zijn, maar de naden zijn niet waterdicht en ze gaan er de verzekering op aanspreken. Ook mét waterdichte naden is het hier geen pretje. De regen komt nu werkelijk met bakken naar beneden. Dit is geen doen meer. Ik vlucht naar binnen, waar alle plaatsen bezet zijn en nuttig de strudel bij een raam met uitzicht op de fiets. Kordel is wat de resterende afstand betreft een alleszins aanvaardbaar reisdoel, maar onder deze omstandigheden valt aan fietsen niet te denken.

 

En dan, na ruim zeven uur op de fiets doorgebracht te hebben, is de eerste étappe achter de rug en wacht na de was en de douche een gedekte tafel in Hotel Neyses. Heerlijk, dat glas Köstritzer. Het menu: Hirschragout met room, Preiselbeeren, rode kool met appel en zelfgemaakte Spätzle vormt de culinaire beloning voor een fietsdag die opnieuw beleefd wordt.

Toen de hoospartij weer was overgegaan in de regen van de dag, bleek de Apfelstrudel voldoende brandstof om de steile klim aan te vatten en Prüm in zijn regendal achter te laten.

Vlak na Prüm, om 16.55 uur, breekt bij Giesdorf de zon door. De wind is gaan liggen. Ik geniet van het landschap. Om in Bitburg te komen verlaat ik bij Schönecken de E42 en sla linksaf richting Seiwerath. Van de twee mogelijkheden om linksaf te gaan kies ik de eerste; deze weg gaat richting Hersdorf, maar moet bij een kruising verlaten worden. Bij de veronderstelde kruising aangekomen, blijkt de weg rechtsaf langs een steile helling naar een boerderij te voeren. Asfalt maakt plaats voor grind. Vlak bij de boerderij, waar de helling het steilst is, verandert het grind in een graspad met twee betonnen stroken. Ik probeer op mijn te groot verzet het evenwicht te bewaren, maar moet er tenslotte aan geloven. Vijftig meter voor de boerderij moet ik van de fiets, de enige keer dat me dit tijdens de reis overkomt. Zoals ik gehoopt had, blijkt het pad langs de boerderij door te lopen en uit te komen op de weg naar Seiwerath. Over geaccidenteerd terrein gaat het nu: Neustrassburg, Balesfeld en Staftselstein. Een paar kilometer vóór Bitburg verbreedt de weg zich; hier worden fietsers via een brede bocht naar de oude straatweg geleid. Van Bitburg maak ik niet veel werk. De aanblik van de beroemde brouwerij geeft mij het gevoel een afgezant te zijn met betrouwbare geloofspapieren (in mijn woonplaats kunnen ze er ook wat van!) Verder oogt het winkelcentrum saai en het industriegebied ten zuiden van deze plaats saai en grauw. Na de spoorwegbrug die betere tijden moet hebben gekend, begint de kaarsrechte licht stijgende weg naar Trier. Van de spoorbrug tot Helenenberg is het 12 kilometer. Hier moet ik linksaf. Een sierlijke kapel markeert dit punt en ik waag er de tweede foto van de dag aan. Via Welschbillig, waar het even zoeken is omdat Kordel nergens vermeld wordt, kom ik op een bochtige weg in bosrijk gebied. De laatste kilometers zijn dalend en dat is wel zo lekker.

 

Aan tafel tel ik al mijn zegeningen. Gisteren kreeg ik last van mijn zitvlak, maar vandaag gaat het redelijk goed, misschien de invloed van de temperatuur. De rugzak voelt steeds vertrouwder, valt best mee. En twee gevulde bidons in plaats van één bleek ook geen gek idee.

Hotel Neyses was op mijn komst voorbereid. De ontvangst was hartelijk en behulpzaam. Oude kranten gekregen om in mijn doorweekte schoenen te stoppen. En dan te bedenken dat ik op enig moment getwijfeld heb om die instappers mee te nemen vanwege hun gewicht! Maar naast alle euforie over het uiteindelijke welslagen van deze dag is er ook een domper. Als ik het thuisfront wil bellen, blijkt mijn gsm door de regen onklaar. Heb ik dat dure ding aangeschaft voor juist dit soort gelegenheden, doet-ie het niet!

Het is een spijtige constatering dat de regen op veel plekken is doorgesijpeld: door mijn regenjas heen is mijn reisétui in de achterzak doornat geworden: geld, reisbiljet en andere papieren worden te drogen gehangen.

Het thuisfront bereik ik met de telefoon in de hotelkamer.

Na de maaltijd, koffie buiten op het terras. Hier bewijst mijn fleecetrui goede dienst in de avondkoelte. Een korte wandeling door Kordel geeft de indruk van een aangenaam dorp. Op veel plaatsen staan de mensen voor hun huizen om in de vallende duisternis een praatje met de buren en voorbijgangers te maken.

Vlak voor het slapen gaan nog even naar het weerbericht geluisterd. Na de zware regens van vandaag klaart het morgen overal op. Onweer met regenbuien worden enkel verwacht in de richting Kaiserslautern. Mooi, precies in die richting gaat mijn reis.

De slotcijfers:

 

Totaal 160 km

Gemiddeld 22,4

 

Uitgaven op deze dag:

Koffie met Strammer Max in Monschau  € 10

Koffie met Apfelstrudel in Prüm          -  4,50

 

 


Donderdag 31 juli

KORDEL – LEMBERG

 

Goed geslapen. Fors ontbeten. Nog extra broodjes met honing voor onderweg gesmeerd. Zo af en toe gaat een SunBest reep eraan, maar die smaak verveelt op den duur ook. De fiets had vanochtend een poetsbeurt nodig.

Hermeskeil. Onder een boom puf ik uit. Pet op mijn hoofd en jasje over mijn shirt, tegen eventuele teken. Hard gaat het vandaag niet. Het was dan ook een behoorlijk lange klim. De weg die op mijn kaart als 52 wordt aangeduid, bereikte ik na enig zoekwerk in de buurt van Ehrang, voorstadje van Trier. Keren en draaien naar de brug over de Moezel. De weg stijgt vanaf hier haast ononderbroken. Als ik bij een wegsplitsing even afstap om de kaart te raadplegen, stopt een auto. De bestuurder vraagt iets in een taal die ik niet begrijp. Ik probeer Frans, Duits en Engels uit. Zijn probleem bestaat uit de vermelding van twee plaatsnamen op één richtingbord, Straatsburg en Saarbrücken als ik mij goed herinner. Hij moet zeer beslist naar de ene en zeer beslist niet naar de andere plaats en hoe hij nu moet rijden? Ik probeer hem duidelijk te maken dat hij gewoon de aangegeven richting moet volgen, dat even verderop naar alle waarschijnlijkheid een afslag volgt waar de wegen naar S en S scheiden. Dat idee stelt hem niet gerust, hij moet namelijk naar S en niet naar die andere S. Ja, zo kunnen we nog een tijdje doorgaan en ik vraag mij af hoeveel rij-uren deze goede man achter de rug heeft. Als hij eindelijk instapt en wegrijdt, doet hij dat met de moed der wanhoop. Ik vervolg mijn weg die vlak voor Hermeskeil daalt, maar ter plaatse zorgt een soort Cauberg voor een sportieve welkomstgroet. Ik heb 34,7 km afgelegd, gemiddeld 20/u.

 

INTERMEZZO

De klim naar Hermeskeil zou het uitstekend doen in een WK. Hoe je rond deze klim het parcours bouwt is een vraag, hier gaat het om de onweerstaanbare aanvechting om in gedachten ideale aankomsten en parcoursen te ontwerpen en ik vraag mij af hoeveel fietsliefhebbers hiermee behept zijn. De trots die elke autochtoon bevangt zodra een wielerkampioen gedwongen wordt de bult van de streek te bedwingen, heeft al tot de meest bizarre omlopen in wielerland Vlaanderen geleid, om van de Amstel Gold Race maar niet te spreken. Tegenover al die hellingen in laatstgenoemde koers, die soms wel driemaal worden beklommen, liggen zoveel meer schitterende restanten van Gods scheppingsdrang, die nooit enige vorm van wielerbekendheid zullen genieten. Legendarisch in mijn kennissenkring blijft mijn eerste vakantie in Noorwegen, 1983. Ons gezin logeerde bij pas verworven Noorse vrienden in Oslo. Tijdens een autotrip door de stad reden we over de Ekeberg en ik kreet uit dat deze Ekeberg de ideale omloop voor een WK markeerde met aankomst boven op de berg, met een afdaling richting Oslofjord en via een lus door de binnenstad weer terug. Jaren later bleek de finish voor het WK in het centrum gesitueerd, maar de slingerende route over de Ekeberg voelde als een persoonlijke triomf. Lance Armstrong won, maar het had de dag van Frans Maessen moeten worden!

En hoe lang het duurt weet ik niet, maar een ander parcours wacht al sinds mijn jeugdjaren  op ingebruikname voor het nationaal kampioenschap. Precies 8 kilometer is de lus die begint voor de kerk van Mariadorp/Eijsden. Na de start de A2 over en linksaf richting Mesch. De Mescherberg, precies 1050 meter lang, niet te steil, met fraaie bochten, gaat over in een geaccidenteerd plateau tot Moerslag. De afdaling bij Moerslag is steil, 600 meter lang en dan gaat het licht dalend langs De Bosrand naar wat in de volksmond Hakkeknôp wordt genoemd. Omhoog, omlaag onder de A2 door, weer omhoog en na de scherpe bocht naar links liggen er 1100 kaarsrechte vlakke meters tot de finish. De variant in omgekeerde richting is evenzeer denkbaar, alsook de ruimere lus naar Mesch via Withuis. En een andere lus die in de 21e eeuw aan de beurt mag komen, volgt 600 meter van het hiervoor beschreven parcours. Nu is niet Mariadorp finishplaats, maar St.Geertruid. Hier wordt de Bukel afgedaald, naar Moerslag geklommen, vandaar richting Libeek, linksaf over de Kalleberg weer naar St.Geertruid en vervolgens over Herkenrade, Bruisterbosch, Honthem en Eckelrade terug naar St. Geertruid. Ach, plaatselijke wielerclubs hebben dat al allemaal bedacht! Maar net niet hardop genoeg?

 

Van plaatselijke wielerclubs merk ik tot nu toe niet veel. Tijdens het kanaaltochtje naar Dommelen ben ik zeker honderd fietsers voorbijgereden. De kans dat ik op mijn beurt door een snellere pedaleur wordt ingehaald, is uiterst reëel. Toch is dat nog steeds niet gebeurd. Gisteren niet, gedurende 160 km, en vandaag ook niet.

Wel laat het eerste gedonder zich horen in de verte. De lucht kleurt witgrijs. En kijk eens, hoera, mijn gsm doet het weer!

 

Later op de middag. Een café in Freisen. Het is tien voor drie. Wat heb ik nou helemaal afgelegd? Een afstand van niks. Maar wat doe je tegen regenbuien als deze? Schuilen! Het zijn echte hevige buien, door opklaringen onderbroken, maar ik heb geen zin in doorweekte toestanden als gisteren. Drie keer stap ik af om onder een poort, een overkapping en een afdak het einde van een stortregen af te wachten. Anders dan gisteren in Monschau is het niet koud. Zodra de regen heeft opgehouden, is er van heerlijk fietsweer sprake. Van Hermeskeil naar Nonnweiler, vandaar naar Sötern, Türkismühle, Nohfelden en Wolfersweiler. Een fietspad langs de weg naar Freisen ziet er veelbelovend uit, maar vandaag en komende dagen betaal ik leergeld inzake het fenomeen “Duits fietspad”. De meeste liggen hoger dan de rijweg en bij wegkruisingen volgt de trottoirband de weg naar rechts. Wie rechtdoor wil, licht zijn zitvlak en stoempt zachtzinnig over hindernissen, maar stapt toch het beste af en op. Drie kilometer voor Freisen krijg ik een lekke band. Ik besluit met repareren tot in het dorp te wachten. Met steeds kortere tussenpozen pompend, probeer ik zoveel mogelijk meters op de leeglopende band te maken. In Freisen is het behoorlijk warm. Mensen zoeken de schaduw op. Op een dorpsplein van kiezelsteen staat een halfronde stenen bank tussen bloembakken. Een meisje, ik schat haar dertien, zit er afwezig te zitten. Hier kan ik in alle rust repareren. Het Zefalpompje kan niet op het ventiel geklemd worden en dat bemoeilijkt het oppompen van een losse binnenband. Ik vraag het meisje of zij wil helpen. Of zij wil pompen als ik het ventiel aandruk? Zij reageert zwijgend, maar het resultaat van haar inspanning is te verwaarlozen. Ik besluit dat plakken vanavond ook nog kan en verwissel eenvoudig de binnenband. Om die goed op spanning te krijgen, zou een robuustere pomp welkom zijn. Is er geen cafetaria, restaurantje of iets dergelijks in de buurt? Kinderen wijzen mij een café in een zijstraat van het plein. Binnen vertoeven de waard en drie stamgasten. Ik hoef hen hier niet uit te tekenen. Het waren dezelfde stamgasten die ik vorig jaar al in Wormeldange tegenkwam, en later in Bouzonville en Faulquemont en tal van andere plaatsen en telkens vraag ik mij af wanneer zij als stamgast geboren werden. Dat moet ongeveer op het tijdstip zijn geweest waarop zij tot het inzicht kwamen dat de toekomst haar tijd gehad heeft en dat de dag van vandaag er enkel is om een ver verleden te beschouwen. Met luide stem. Dat schijnt erbij te horen. En dan kom ik binnen. En vraag om koffie en een pomp.

Een ongebruikelijke consumptie op dit uur van de dag naar het schijnt, maar de vriendelijke waard besluit dat dit te doen is en gaat aan het werk. Hij brengt mij een pomp en het ventielverloopstuk bewijst zijn waarde. Nu nog een kopje koffie en dan snel er vandoor. Ik noteer de gegevens van mijn fietscomputer. Totaal vandaag 67,8 km, gemiddeld 21,2. Als die koffie maar kwam. In mijn hoofd zwermen fantasieën over keukentrapjes, lege koffiebussen, gescheurde filters, een keldertrap en tasten in het duister, ik sla het regionale krantje maar weer eens open in afwachting van een jammerlijke jobstijding, maar dan is daar eindelijk de koffie en is het zaak om zoveel tijd voor leegdrinken en betalen te nemen, dat ik de waard voldoende eer bewijs voor zijn bijzondere inspanning.

 

Na mijn vertrek blijk ik ook de betadine niet voor niets meegenomen te hebben. Bij weer een twijfelpunt op de route zie ik in dat een eerdere zijweg de juiste was, corrigeer te bruusk mijn rijrichting, haak met mijn knie in het stuur en daar lig ik. Wat een stomme dag is dit. Lekke band, valpartij, en dat allemaal in een streek die uiterste concentratie vergt. Even buiten Freisen dient zich een pittige helling aan. Bijna boven twijfel ik over de richting en jawel, ik had deze helling helemaal niet op gemoeten. Terug naar beneden, linksaf richting Schwarzerden (spreek uit Schwarz Erden. Die uitspraak verneem ik als ik toch maar de weg vraag. Mooie naam eigenlijk.) Vraag me niet hoe het komt dat ik niet in Schwarzerden kom. Ik blijk de weg naar Oberkirchen te zijn ingeslagen. Geen nood, ook goed. In het gehucht Haupersweiler beleef ik de Heimat op zijn best. Een smal weggetje dat zich tussen schuren en mestvaalten slingert, tractoren lijken het enige vervoermiddel ter plekke. Hier ergens moet ik links, een steile bochtige helling op, onder een spoorwegbrug door naar Herchweiler, verder in de richting Konken, op tijd afslaan naar Langenbach en vandaar het juiste doorsteekje zoeken naar Herschweiler. Het scheelt maar een s met eerdergenoemd oord. (Vorig jaar, vlak voor de Vogezenreis een tochtje in Zeeland gemaakt: begreep maar niet dat Nieuwkerk zo uit de richting lag. Bleek er later ook een Nieuwkerke te bestaan) En hier vindt de valpartij plaats. Het wordt tijd dat ik Michelinkaart 203 verlaat. Naar Ohmbach gaat het, en Brücken en via Schönenberg en Sand naar het grotere Miesau. In zuidelijke richting nu. Over de E12  en een spoorweg naar een grote provinciale weg. Linksaf naar Bruchmühlbach, daar ben ik van de kaart! De rest van de route is ingetekend op de eerder genoemde kopie.

 

Een laatste portie Hunsrück wacht. Eerst naar Martinshöhe, een klim van 4 km lang. Het wordt my finest moment. Ik schakel 30x18 en wat rijdt dat lekker. Fluitend en zingend onder het trappen lijken de klimmende kilometers mij geen enkele moeite te kosten. Na twee kilometer vindt de bedenker van deze helling dat het afgelopen moet zijn. Het stijgingspercentage lijkt in de resterende kilometers te verdubbelen. Op 30x19 zie ik geweldig af en kom net niet helemaal kapot boven. Na een korte rustpauze beloven de resterende kilometers tot Pirmasens beloning voor verrichte arbeid. Over de rug van het landschap glooit het nu gestaag omlaag met hier en daar een bult waar je even over heen moet. Ik maak een foto. Nog een bult? Goed, maar nou weer dalen. Langs Knopp, door Schmitshausen, Masweiler en Thaleischweiler. Nog negen kilometer naar Pirmasens. Eerst nog Thalfröschen. Klinkt lieflijk, maar jonge wat een klim. Twee kilometer en het houdt maar niet op. Maar aan alles komt een eind, daar voor me ligt de stad. Alleen moet ik bij Fehrbach nog een bult op. Waarom nou weer? Ik heb er genoeg van.

Als ik via de ene na de andere nieuwe rotonde in Pirmasens aankom, raadpleeg ik mijn adressenkaartje. Mijn gsm doet het. Eens proberen of Gasthaus Neupert in Lemberg uit de ADFC-gids plek heeft. Jawel, dat hebben ze. “Dan ben ik over twintig minuten bij u.” Lemberg ligt ten Z.O. van Pirmasens. Nog ca. 7 km fietsen. De straatweg die naar het laaggelegen centrum van Pirmasens voert is kaarsrecht. Na het centrum gaat het weer omhoog en in Lemberg wacht de laatste klim van de dag.

 

Als ik om tien voor negen soep met eendenborst besteld heb en aan de Park Pils zit, is dat verdiend en ik begin te geloven dat ik mijn reis goed gepland heb. Morgen naar Gaggenau. Dat wordt een lekkere hersteldag. Ander herstelwerk heb ik voor het eten verricht. De band heb ik kunnen plakken in dit volgens de gids fahrradfreundliches Gastbetrieb. De eigenaar had inderdaad een pompje te leen en mijn fiets kon ik er kwijt.

Onder het eten noteer ik de gegevens van de dag:

in Freisen heb ik nog bananen gekocht voor onderweg en ergodrank en ook zoute koekjes voor ’s avonds op de kamer, waar dan een extra flesje bier bij past. De computer vertelt me dat ik te lang op de fiets heb gezeten, ruim zesenhalf uur.

De eendenborst is wat monotoon van smaak, hoe zeg je zoiets nou precies. Aan een tafel verder beëindigen twee echtparen op leeftijd hun maaltijd. Hun conversatie leidt tot de volgende slotsom: dat het eten gesmaakt heeft, maar dat dit ook mocht voor het geld, maar dat het zeker niet slecht was, dat men dit ook niet elke dag doet, en dat de bediening als altijd in orde was.  Als de ober de rekening brengt, wordt de penningmeester van het gezelschap jolig en waant zich met een “Thank you Sir” in een angelsaksische film, waarop zijn grijze wederhelft bijna stikt van de lach. “Du, aber nein.. thank you Sir, thank you …”

Toch nog lol gehad voor de eurocenten.

 

Totaal 143 km

Gemiddeld 21,5

 

Uitgaven op deze dag:

hotel Neyses: maaltijd, overnachting/ontbijt                    50,70

telefoon                                                       -    5,40

koffie in Freisen                                              -    1,50

bananen, drank, zoutjes                                      -    3,07

 


vrijdag 1 augustus

LEMBERG – GAGGENAU

 

Dit wordt dus een hersteldag en dat is maar goed ook, want mijn ledematen voelen vanochtend stijf aan. Weer goed ontbeten en opnieuw een broodje voor onderweg gesmeerd. Had gedacht dat de laatste SunBest nu wel achter de kiezen zou zijn, maar het goedje is me zo gaan tegenstaan dat de laatste gedeukte repen maar niet uit de rugzak willen.

Tijd genoeg, na vier uur zou mijn gastvrouw me kunnen verwachten, had ik voor mijn vertrek uit Dommelen laten weten.

De kou van Monschau en de stortbuien van gisteren zijn vage herinneringen aan het worden. Vanaf vandaag bereikt de temperatuur tropische waarden en die zullen gedurende het vervolg van de reis toenemen.

Om 12 uur is het tijd voor een café-au-lait in het centrum van Wissembourg, waar ik een foto neem. Mijn opzet is om ongeveer twee foto’s per dag te maken, een onderweg en een bij aankomst; als een vorm van verslag, om me te herinneren waar ik geweest ben.

Het is even wennen dat er in deze streek weer Frans gesproken wordt. Niet gek eigenlijk, want zojuist ben ik de Franse grens gepasseerd. Het begin van de route, Lemberg, ligt in het noordwesten van Michelinkaart 205. Op weg naar Dahn liet ik me verleiden om een fraai fietspad te volgen. Na een klimmetje bij Salzwoog maakte het fietspad een bocht naar links, terwijl de naastliggende weg rechtdoor liep en ik even verder beslist naar rechts moest. Erop vertrouwend dat fietsers die mogelijkheid wel geboden zou worden, volhardde ik in het volgen van het fietspad, maar toen na anderhalve kilometer of zo enkel de richting Pirmasens werd aanbevolen, besloot ik maar om te keren. Het zonnige weer belette me om humeurig te worden over deze zoveelste slechte service op Duitse fietspaden. Een paar kilometer na Dahn rechtsaf richting Frankrijk. Door een fraaie bosrijke streek langs de Lauter kan ik af en toe lekker dalen. Bruchweiler-Bärenbach heet het hier, Wieslautern, Bundenthal, Niederschlettenbach, Bobenthal en Weiler. Het aantal fietsers op de weg groeit, maar afgezien van twee mannen die mij passeerden toen ik op de verkeerde weg van daarstraks aanstalten maakte om om te keren, is nog niemand mij voorbijgefietst.

De wind komt weer stevig uit het zuidoosten. In Wissembourg heb ik 40 km afgelegd, gemiddeld 23,8/u. Wat mij nu het meest bezighoudt, is mijn zitvlak dat aardig zeer begint te doen.

 

Na de middagpauze lekker verder peddelen, want ik heb nog een dag voor me en ik hoef nog nauwelijks 50 km.

Even buiten Wissembourg ligt een helling die voorlopig de laatste zal zijn; er resten slechts vlakke stukken op weg naar de Rijn. Over de D263 naar Riedseltz, een slaperig dorpje dat in de zon stooft en waar ik tijd verknoei met het zoeken van de verbindingsweg die me onder een viaduct door naar de D34 brengt. Ober- en Niederseebach laat ik rechts liggen, rij door Trimbach en Croetwiller en Niederroedern, sla bij de kruising met de D29 linksaf en rijd over een saaie weg richting Seltz. Even voorbij Seltz is er een veer naar Duitsland, maar voor het zover is wordt er gegeten. Een wat smoezelige cafetaria ligt op een perfecte plek en de Plat du jour is net wat ik nodig heb: aardappels en worteltjes in béchamelsaus met gepaneerde ham/preirolletjes en omdat de tocht er bijna opzit, durf ik een bier te bestellen. Hopelijk slaat dit Bière 1664 van 5,9 % me straks niet in de kuiten. Ik heb nu 67 km gefietst, gemiddeld 23,4. Wat een genot toch om zo’n digitaal speelgoedje binnen bereik te hebben.

Tijd voor het veer/le bac. Ja, dat had ik gedacht. Eerst maar wachten tot het veer aanlegt. De rijnscheepvaart heeft hier voorrang en omdat een paar schepen achter elkaar komen aangetuft, duurt het bijna een uur voor we aan boord kunnen en nog langer eer de gratis oversteek echt begint. In de tussenliggende tijd word ik echter aangenaam beziggehouden door de enige levende ziel die in deze temperatuur zijn handen laat wapperen (uit de mouwen steken is de verkeerde uitdrukking, want de brave man werkt met ontbloot bovenlijf). De veerboot kan her en der wel een verfje gebruiken en nu is het dek aan de beurt. De witte belijning die de plek aangeeft waar fietsers zich op de veerboot mogen ophouden, is net af en de finishing touch is het opnieuw witkalken van het fietserspictogram. De zorg waarmee met grove kwast de ronde wielen, de kromming van de voorvork en de aanduiding van stuur en zadel geschilderd worden, zal mij nog lang bijblijven als een soort icoon, merkteken van de reis die in Dommelen begon.

Na de overtocht is het eerste plaatsje Plittersdorf en vandaar is het nog maar een eindje naar Rastatt, beroemde plaats, maar welke vrede daar gesloten of krijg er uitgevochten werd, wil me niet te binnen schieten. Het is aangenaam druk in het fraaie centrum met een mooie klokketoren. Vlak na het centrum, bij de ingang van een park, raadpleeg ik de kaart om de weg naar Gaggenau te bepalen, maar dan heb ik buiten de hulpvaardigheid van de Duitsers gerekend. Ik krijg precies uitgelegd hoe ik rijden moet en om dit verhaal op dit punt beknopt te houden, het gaat een tijdje de goede richting uit, waarna ik het spoor bijster raak. Weggetjes lopen dood tegen een autosnelweg en achteraf blijk ik een omweg gemaakt te hebben van Rauenthal over Bischweier helemaal naar Oberweier en zo naar Rotenfels.  Rotenfels en Gaggenau liggen tegen elkaar, maar van vorige bezoeken per auto weet ik hoe ik hier vaker verkeerd reed en nu gebeurt het me per fiets. Het uurgemiddelde knapt er goed van af. Het opgegeven adres vinden is niet makkelijk, want een stadsplattegrond zoek ik vergeefs. Tenslotte kom ik op het terrein van de Schlossakademie (voormalig eigendom van Max von Baden) terecht en het is een aparte gewaarwording om per fiets te arriveren op de plek waar ik in maart nog de bloeiende magnolia aantrof na een autotocht van ruim vijf uur. Wandelaars blijken heel toevallig mijn gastvrouw te kennen en om vier uur precies maak ik bij haar mijn opwachting.

 

Het vaste ritueel krijgt hier geen kans. Mijn kleren gaan in de wasmachine en zijn droog binnen de kortste keren. Ik slaap in de kamer van een uithuizige dochter. Er komt een heerlijk pastagerecht met salade op tafel. Een fles rosé erbij. De enige wederdienst die ik kan bewijzen, is het besproeien van het gazon van de buurvrouw, waartoe mijn gastvrouw zich had verplicht.

Na de maaltijd maken we een lange avondwandeling langs de rivier de Murg die door Gaggenau en Rotenfels stroomt en zo leer ik deze plaats beter kennen. Als wetenswaardigheid onthoud ik dat in de tweede wereldoorlog de geallieerden hier een bombardement op de Daimlerfabrieken hadden gepland, maar zij misten hun doel en verwoestten de binnenstad. Dat verklaart de aanwezigheid van veel glas en beton nu. In de avondlucht wordt in blauw neon de naam Gaggenau zichtbaar en Maria verzekert mij dat deze koelkastengigant een onbetaalbaar product op de markt brengt. Een bezienswaardigheid die hiermee contrasteert is de enorme bloementuin midden in een volksbuurt, aangelegd rond een eenvoudige lage woning. Hier woont een oud dametje dat van deze tuin haar levenswerk maakt en door zorgvuldige plantenkeus de tuin in elk jaargetijde laat bloeien, tot plezier van de bewoners.

 

Totaal 96 km

Gemiddeld 21,9

 

Uitgaven op deze dag:

Totale kosten Gasthaus Neupert         € 52,30

Koffie Wissembourg                     -    2,20

Maaltijd Seltz                            -    8,20

 


Zaterdag 2 augustus

GAGGENAU - TUTTLINGEN

 

Vandaag ga ik laat op weg. Het is al kwart over tien. Dat heeft ook te maken met het verblijf in Gaggenau: de hartelijke ontvangst, de gesprekken over zo uiteenlopende onderwerpen, zij vormden een onderbreking van het fietsritueel van elke dag en hoe aangenaam het gezelschap van anderen ook is, ook dit vergt energie.

De laatste vriendendienst die ik ontvang is de raad om de Tour de Murg te volgen, een fietspad dat langs de oevers van de Murg tot voorbij Baiersbronn voert.

De Murg zal me heugen, vanwege de richtingwijzers met “Tour de Murg”, het wisselende wegdek, de grillige lussen waarmee het pad zich van de rivier verwijdert en de concentratie die dit vereist, maar vooral vanwege de schitterende uitzichten en pittoreske plekjes. Een markant punt is de voormalige grenspost Baden-Württemberg: naast een houten bruggetje staat een antiek houten wapenschild en ernaast stroomt bronwater in een bassin. Ik aarzel niet om met dit water mijn bidon te vullen. Bij een ander punt maak ik een foto van een overdekte brug die de oevers van de Murg verbindt. Van de dorpjes aan de 462 vang ik slechts glimpen op. Opschieten is er met dit fietspad niet bij: aanvankelijk geasfalteerd gaat het grootste deel over een bodem van grind. Ook vandaag waait een stevige tegenwind. In Klosterreichenbach zoek ik na de kerk in het centrum naar de weg die op mijn kaart als “route interdite” staat aangegeven en die me naar de 294 moet brengen, op weg naar Freudenstadt. Als ik de weg gevonden denk te hebben, voert de stevige klim me enkel naar de hooggelegen buitenwijken van Baiersbronn om weer naar dit plaatsje af te dalen. Dan vind ik het tijd voor een rustpauze. Ik ben al bijna tweeënhalf uur onderweg en heb pas 48 km afgelegd, gemiddeld 19,8/u. Bij een lieve oma die een bakkerswinkeltje annex lunchroom bestiert, drink ik koffie met appelgebak.

 

Op naar de eerste stempelpost van vandaag: Freudenstadt. Mensenlief, wat een helling. Gelukkig begin ik me na een slap begin vanochtend sterker te voelen, mijn zitvlak houdt zich prima en de wat langere hellingen in deze uitlopers van het Schwarzwald liggen me beter dan het venijn in de Hunsrück. Omdat ik vlak voor Freudenstadt al gepauzeerd heb, moet ik maar vlug door deze stad op een kruispunt van wegen zien te geraken en de maaltijd elders nuttigen. Nu kom ik wel op de 492 terecht. Ik volg deze weg tot Loßburg, sla daar linksaf richting Dornhan, dat ik via een geaccidenteerde route bereik via slaperige dorpjes als Walde en Betzweiler. Dat ik ook Busenweiler aandeed, was de zoveelste vergissing die me op een klim extra kwam te staan. Intussen heb ik het bos, waar ik de hele dag al in vertoef, verlaten en rijd ik door een open boerenlandschap. Van Dornhan mag ik iets verwachten, een plaats met een “Stadtmitte”. Een klein supermarktje aan een plein, ik koop er een paar perziken, er tegenover een uitgestorven café. Er zal toch ergens een eetgelegenheid zijn? Een ingezetene die op dit uur van de dag de hitte trotseert, denkt dat ik mijn heil het best kan zoeken in het sportcafé en stuurt mij in de richting Marschalkenzimmern. Ik hecht nauwelijks betekenis aan wat hij zegt, ik zie wel wat zich aandient. En er dient zich een kilometer of wat buiten de Stadtmitte een fraai voetbalcomplex met kantine aan.

 

Hier maar eens binnen kijken en jawel, hier verblijft een gemêleerd gezelschap van pauzerende sportmensen, dorpse bobo’s, verstokte supporters en vrouwelijke fans en voor hen allen is de bierkraan in werking gezet en worden in de keuken maaltijden bereid. De vlotte serveerster zet in een mum van tijd een Flammkuchen op tafel en ik neem er mineraalwater bij. Als ik nog aan mijn Flammkuchen, een soort ham/kaas/aardappelpizza, bezig ben, stapt mijn gids uit Dornhan de kantine binnen, begroet mij met een innemend blijk van herkenning. Hier is meer te beleven dan in de Stadtmitte en ik krijg een vermoeden van een sociaal leven dat zich geheel rond de Sportverein afspeelt. Hoewel op dit ogenblik de competitie stilligt, zijn de hoofden vol gedachten over het nieuwe seizoen. Op tv is een live reportage van een wedstrijd uit de voorronde om de DFB-Pokal. Enkele jongelui verdwijnen bezweet in kleedkamers. Hebben ze buiten aan looptraining gedaan of is er hier een krachthonk? De enige oudere die buiten werkt, is de terreinknecht. Met grote zorg kalkt hij de lijnen rond het veld, terwijl vanaf het terras en vanachter de kantineramen wordt toegekeken. Hier zitten ze allemaal bij elkaar, de dikbuikige trainer van de A-jeugd, de pedofiele clubsecretaris, de tv-kijkende spits van het tweede, de bardame voorziet hen van grote kelken bier en samen zweren zij trouw tot in de dood aan Blau und Weiss. Ik neem mij voor om bij thuiskomst uit te zoeken op welk niveau de Fc Dornhan opereert en hoe de club ervoor staat.

Ik heb er ruim 75 km opzitten, gemiddeld 20.0, en ik maak notities in mijn boekje. Hier tussen Dornhan en Marschalkenzimmern noteer ik hoe tijd verloren gaat met afstappen, kaart kijken, route controleren, terugrijden enz., hoe eenzaam deze onderneming is en hoe zij juist daaraan de intensiteit van de waarneming dankt.

O ja, ik begrijp niet hoe zoiets kan, maar afgezien van de fietsers die voorbijrijden als ik zoals nu pauzeer, ben ik sinds Dommelen nog door niemand voorbijgereden.

 

Om 20.45 uur kan ik niet instaan voor de gevolgen. Voor mij staat een glas ouzo, want Gasthof Engel in Tuttlingen wordt door Grieken uitgebaat. Het terras zit mudjevol en alles en iedereen puft onder de zomerse avondhitte. Maar wat ben ik blij dat ik hier zit en niet heb toegegeven aan de aanvechting om even voor Tuttlingen logies te boeken. In het plaatsje Rietheim had ik er genoeg van, maar de aanblik van het eenzame hotelletje vol fietstouristen op het terras deed me besluiten toch maar verder te gaan en het magische punt Tuttlingen op te zoeken. Tuttlingen ligt in het ontbrekende rechthoekje dat Michelinkaarten 205 en 216 van elkaar scheidt. Ik vertrouw erop dat die stad ergens ligt en dat ik vandaar op een nieuwe kaart terechtkom.

De ouzo gaat erin en ik noteer wat er sinds het sportcafé de moeite waard bleek.

Goed opletten bij diverse wegsplitsingen bracht mij via Marschalkenzimmern naar Hochmössingen en Lindenhof, waarna een actie volgde die mijn thuisfront niet graag had aanschouwd. De afdaling naar Oberndorf zat vol gemene bochten en op dit gebied heb ik nog veel te leren. Hoe zit het ook weer? denk ik dan. Druk op het voorwiel houden, remmen voor de bocht, in de bocht loslaten. Ja, maar wat als die bocht maar blijft aanhouden en je met teveel snelheid erin bent gegaan? Bijremmen in de bocht durf ik niet, dan maar op snelheid erdoor, en intussen toch doodsangst uitstaan. En natuurlijk had ik beter mijn helm kunnen opzetten, maar wist ik dat het hier zo steil daalde…

… het zal me nog twee keer overkomen, en als het woord doodsangst wat overdreven is, dan past dat toch aardig bij een andere situatie die niets met dalen te maken had, maar daarover later.

 

Dalen en weer klimmen. Langs Altoberndorf, Epfendorf, Talhausen en Villingendorf naar Rottweil. De straat die ik binnenrijd maakt zo’n indruk op me door zijn historische geveltjes, dat ik er een foto voor over heb. Die had ik beter kunnen bewaren voor een volgend moment, want na een paar honderd meter komt de kronkelende straat uit op een machtig marktplein dat afloopt in een brede avenue. Hier trakteer ik mezelf op een ice-tea en geniet van een niet-te-geloven-plaatje. Het historische karakter van Rottweil doorgronden (16e eeuw, later, nog vroeger?), is niet mijn eerste impuls, maar de wijze waarop deze stadskern gerestaureerd werd, waarbij de kleurenpracht van de beschilderde gevels meteen opvalt, fascineert. Hier zou ik een intermezzo kunnen wijden aan de paradox van het genieten, maar ik laat het bij deze vraag: hoe komt het dat ik onderweg geringe belangstelling heb voor zaken die mij in andere omstandigheden hevig kunnen interesseren? Ik denk dat de fietser zichzelf doelen stelt die in fietstermen gevat en door de benen verwezenlijkt worden en dat daar alle aandacht naar uitgaat. Verrassende ontmoetingen met zoals vandaag historisch stedenschoon (ik denk ook aan Rastatt) roepen dilemma’s op. Wanneer er dus in dit verslag sprake is van slome, slaperige, suffe dorpjes, erken ik daar in feite hun weldadigheid mee. Godzijdank schreeuwt niet elke vlek om aandacht, en bepaal je meestal zelf wat in zijn schijnbare onbeduidendheid een extra blik waard is.

 

Na Rottweil begint het laatste stuk van deze etappe. Het is nog 30 km naar Tuttlingen. Eerst over de avenue naar Altstadt beneden. Een fraai aangelegd fietspad gaat in de richting Neufra/Tuttlingen. Dat is aanlokkelijker dan het blijven volgen van de provinciale weg die over Spaichingen loopt. Veel skeelers op het fietspad. Maar rechttoe, rechtaan gaat het hier niet. Maak ik niet teveel kilometers? Ik begin er een beetje door te zitten en word zowaar nijdig. Waarom heeft die verdomde wind al die dagen nog niet één keer in mijn voordeel geblazen? Bijna wordt Rietheim mij fataal. Maar dan, via drukke wegen, kom ik eindelijk in Tuttlingen, stad aan de Donau, zo blijkt. Na wat rondrijden in het centrum, en hotels aan de buitenzijde geïnspecteerd te hebben, vraag ik een oudere dame om advies. Op mijn namenkaartje staan wat hotels, destijds alvast via internet genoteerd. Het wordt “Rössle”.

Als ik er binnen ben gestapt, met als eerste bekommernis het veilig stallen van de fiets, heb ik al meteen spijt. De fiets kan in de garage honderd meter verder. De jongen die mij erheen brengt, rijdt de auto van zijn vader weg en wijst mij de lege plek in de verder o zo lege garage. Hij laat mij alleen en gaat terug naar het hotel. Waarom zou hij zijn vaders auto moeten wegrijden? Maar meer nog, al is dit ook een garage waar je enkel met een pasje binnenkomt, het blijft toch voor anderen toegankelijk gebied. Had ik toch maar dat ene hotel genomen dat weliswaar een stuk duurder was en ik overweeg om de garage weer met fiets te verlaten en in het geheel niet naar Rössle terug te keren. Vervolgens verwerp ik die gedachte, waarom zo wantrouwig, ik heb a gezegd, dus laat ik het avontuur vervolgen. De  jongen die me hielp, runt het hotel met andere broers, allen van buitenlandse afkomst. Ik vermoed Italiaans, maar op mijn vraag antwoorden zij dat ze uit Turkije komen. Het hotel is uiterst eenvoudig, de wc bevindt zich op de étage-overloop, maar in de kamer is wel een douchecabine aangebracht. Ik vind alles wat ik nodig heb en prijs me opnieuw gelukkig. Beneden in het restaurantgedeelte zitten mannen te keuvelen en te kaarten en als ik heb vastgesteld dat de keukenchef niet beledigd is als ik de maaltijd elders gebruik, kuier ik avondlijk Tuttlingen in, met een hotelsleutel op zak: een nog ongekende sensatie.

 

Het is er gezellig luidruchtig. Veel buitenlanders, Grieken en Turken vooral.

Het  verblijf op het terras bij Engel komt met stip op de lijst zalige genietingen. Onder de ouzo arriveert de tomatensoep, samen met een halve liter Zwickel im Krug. Na zo’n dag de eerste slok bier, wat een feest. Heerlijke lamsbout, voortreffelijke bediening. Twee euro fooi zijn op hun plaats. Maar tussen de happen door moet er ook nog genoteerd. Een spannend dagelijks ritueel voltrekt zich: your votes please! En de computer geeft de totaaluitslag van vandaag. Wel wat omgereden, maar alles bijeen gaat het toch gesmeerd. Als ik na het eten een wandeling langs de oevers van de Donau maak en mijn hand in het lauwe water steek, denk ik terug aan al die momenten die achter mij liggen en de dankbaarheid om zoveel voorspoed emotioneert me.

 

Totaal 136 km

Gemiddeld 20,7

 

Uitgaven op deze dag:

Koffie met appelgebak in Baiersbronn             4,-

Perziken in Dornhan                             -  0,59

Flammkuchen met Wasser in sportkantine      -  6,-

Ice-tea in Rottweil                              -  2,-

Maaltijd Gasthof Engel Tuttlingen               - 17,50

 


zondag 3 augustus

TUTTLINGEN – DORNBIRN

 

Zondag. Duitsland is op pad. Na ongeveer 650 km gebeurt het onvermijdelijke. Vlak voor Stockach  word ik door een jonge wielrenner gepasseerd. Hij groet mij daarbij bijzonder vriendelijk. In het centrum van Stockach zoekt heel wat auto- en fietsverkeer de richting Bodensee. Van deze rit heb ik mij vooraf veel voorgesteld. Eerst op eigen kracht dit beroemde water opzoeken en vervolgens kilometerslang ontspannen langs de oever rijden, Duitsland verlaten, Oostenrijk binnenrijden, en al die tijd Zwitserland in het vizier. Dat alles in een aangenaam tempo, want de route is vlak. De droom wordt gedeeltelijk werkelijkheid. Als ik in Ludwigshafen alle nodige bochten genomen heb, ligt daar de Bodensee in al zijn schittering en deze eerste kennismaking is een foto waard.

(als ik deze woorden typ zijn we een halfjaar verder en voor me ligt een advertentie in De Kampioen, maart 2004, bladzijde 56: Fietst u mee? Rondje Bodensee. In witte letters over een foto van een prachtig landschap, diepblauw meer en besneeuwde bergtoppen op de achtergrond. Die toppen staan net niet op mijn foto, ze liggen ook niet achter me. Ik moet die dag wel erg slecht uit mijn doppen hebben gekeken, anders had ik vast ook wel zo’n foto van de Bodensee gemaakt. In elk geval een manier om klanten te werven. Marketing heet dat.)

 

Omdat mijn bus Isostar sinds gisteren leeg is, heb ik twee liter water gekocht.

Het fietspad langs de Bodensee biedt aanvankelijk een fraai uitzicht, glooit wat op en neer, gaat van asfalt over op grind en vice versa en wordt steeds drukker.

In Unteruhldingen heb ik ruim 53 km gefietst, gemiddeld 23,1. Even pauze. Dicht bij de oever en een aanlegsteiger zingt een visserskoor op dit zonnige lunchuur. Zeker honderd toehoorders luisteren naar hun repertoire. Ik vang op “Ja, wir sind Kerle – und wir trinken –“ enzovoort. Zij heten de Bodensee Shantymen.  Voor de eerste keer hoor ik Nederlands praten. Een gezin uit Roosendaal is in de buurt op vakantie en maakt er vandaag ook een fietsdag van.

Als het koor is uitgezongen, stap ik op en begeef me weer in het gedrang. Rond Meersburg, waar dranghekken staan en ook gemusiceerd wordt, is het helemaal een gekkenhuis: Valkenburg aan de Bodensee. Ik wurm me langs hele gezinnen op de fiets, gezinnen die elkaar passeren op het smalle pad, dat ook nog eens in beslag wordt genomen door vaders die hun kinderen in bolderkarretjes voortzeulen, door zwemmers die met hun surfplanken her en der het pad oversteken naar het meer, er is kortom geen doorkomen aan. En vraag me niet hoe het mogelijk is dat iemand die in zuidoostelijke richting links langs het Bodenmeer fietst, erin slaagt om het volgende moment noordwest te koersen. Mij overkwam het in Hagnau, waar het fietspad in een doodlopende landweg veranderde. Mijn gewoonte om in dit soort gevallen meteen de kaart te raadplegen, werd weer eens afgestraft, want ik kreeg meteen assistentie van een struise dame op leeftijd die wenste te weten in welke richting het ging. Op mijn antwoord “Bregenz” kreeg haar blik iets wazigs, kennelijk achtte zij dit de gedachte van een gestoorde, en alsof zij mij niet gehoord had, schotelde zij mij een keuzemenu voor met plaatsjes die ik op de kaart poogde te ontwaren. Dit wekte weer haar ongeduld en een zekere achterdocht: een volwassen man die een kaart raadpleegt, maar kennelijk niet in staat is zijn reisdoel begrijpelijk te formuleren. Eenmaal van haar verlost, liet mijn richtinggevoel mij in de steek en koos ik in Hagnau, bij een splitsing zonder zicht op het water, de verkeerde afslag en kwam ik bekende gezinnen tegen. Omkeren en vol vooruit, tempo maken waar het kan en opnieuw mijn weg zoeken tussen de wandelaars die nu links en rechts in de berm geparkeerde auto’s uitladen, daarmee het pad nog smaller makend dan het al is. Als ik even later mijn fietsbel gebruik om twee oude vrouwtjes te waarschuwen, omdat zij zo gezellig het midden houden, word ik getrakteerd op puur volkstheater, een fysiek schouwspel zonder weerga. De vrouwtjes verstijven, wenden hun hoofden, strekken hun armen, sperren hun monden, vliegen elk naar een kant van de weg en weer terug naar het midden, vallen bijna, staan weer recht, springen en botsen tegen elkaar en staan dan  stokstil. Een striptekenaar zou er een pagina voor nodig hebben. Tijdens dit optreden heb ik vol in de remmen geknepen, ben op tijd tot stilstand gekomen en kan van nabij de bezinning gadeslaan die hen in staat stelt de weg voor me vrij te maken. Als ik voorbij rijd voel ik het heilige kruis dat zij deze duivel nageven, die zo hardvochtig hun zondagsrust verstoord heeft. Ik houd het voor gezien, verlaat het toeristische pad en neem de rustige hoofdverkeersweg. Tijd voor een intermezzo.

 

KLEINE PSYCHOLOGIE VAN DE KOUDE GROND OMTRENT HET PASSEREN VAN DE MEDEMENS

Talloos veel verhalen doen de ronde over het onbeschofte rijgedrag van lieden die zich op een racefiets voortbewegen. Vooral als zij zich in een groep bevinden, vormen zij een meute barbaren die God noch gebod kent. En dan te bedenken dat deze egocentrische horde het rijwiel vooral benut om te relaxen na een week van opgekropte woede in hun BMW’s en Alfa Romeo’s.

Het waarheidsgehalte van deze verhalen mag net zo betwijfeld worden als de klaagzang die de snelle mannen plegen aan te heffen, als het om het gedeeld gebruik van het fietspad gaat. Een objectief standpunt lijkt uitgesloten omdat men nu eenmaal partij is, en net zoals rokers en niet-rokers er nooit eensgezinde opvattingen op na zullen houden, zo zal er altijd verschil van inzicht bestaan tussen hen die op het fietspad ingehaald worden en degenen die daarvoor de verantwoording dragen. Hier volgt mijn eigen ervaring samengevat.

De basis van alle verkeer is burgerlijk fatsoen. Regels bestaan er voor onze bestwil en om ons van dienst te zijn. En tenslotte hebben we ook nog iets aan gezond verstand en simpel inzicht. De combinatie van fatsoen en inzicht maakt onder meer duidelijk of wij voor de medeburger betrouwbare weggebruikers zijn. Voor wie dit van zichzelf niet weet, vormt het fietspad, liefst op zondag, een leerzaam oefenterrein. De situatie is als volgt:

twee bejaarde echtelieden rijden nietsvermoedend naast elkaar. De gemiddelde snelheid van een medefietser die achter hen in dezelfde richting rijdt is groter. Conclusie: het echtpaar wordt op enig moment ingehaald. Om de complicaties van deze op handen zijnde situatie de baas te blijven, volstaan twee eenvoudige richtlijnen. 1) De inhaler geeft met een belsignaal te kennen dat hij nadert. Hij doet dit op zodanig tijdstip dat degenen voor hem in alle rust de tweede richtlijn kunnen volgen. 2) Op het horen van het belsignaal vermindert de rechts rijdende fietser snelheid, zodat de links rijdende in eigen tempo naar rechts kan uitwijken. Als deze de handeling voltooid heeft, kan de achterligger ongehinderd doorrijden. Een welkome variant op deze handeling bestaat hierin dat de rechtsrijdende het eigen tempo aanhoudt en de linksrijdende enigszins versnelt met hetzelfde resultaat als uitkomst.

 

Bezien wij nu de uitvoering in de praktijk:

de inhalende fietser is voorzien van een goedklinkende bel en heeft het signaal op het geëigende moment afgegeven. Voor hem gebeurt niets. De inhaler belt opnieuw. Nu gebeurt er plotseling zeer veel. Een lange reeks handelingen van de linkerfietser voor hem (de twee voorgangers reageren nooit tegelijkertijd en laat ik er meteen aan toevoegen dat voor het in werking treden van wat ik hierna beschrijf soms hele conversaties hebben plaatsgevonden, vooral wanneer de rechterpartner het eerst reageerde) toont de volgende stadia van bewustzijn:

a)   er is geluid doorgedrongen tot een oorschelp;

b)   de gewaarwording van dit geluid wekt behoefte om de bron te lokaliseren;

c)    voorzichtige samenwerking van wervels in hals en ruggengraat resulteert in de wending van het hoofd naar achteren (omdat de fiets in voorwaartse richting gaat en bestuurd moet worden, komt deze beweging soms in meerdere fases tot stand);

d)   met de ogen wordt nu de achtergrond afgetast, het zoeken naar de mogelijke geluidsbron is begonnen en de naderbij komende  fietser wordt nu in verband gebracht met het gehoorde;

e)   dan treedt het visuele inschattingsvermogen in werking: de nog steeds het hoofd wendende fietser wordt zich bewust van de nadering en komt tot het inzicht dat actie geboden is;

f)     in het volgende stadium worden de hem ter beschikking staande mogelijkheden aan een onderzoek onderworpen. Hierbij moet aangetekend worden dat de fietser in kwestie over een benijdenswaardig vermogen beschikt om zich over elke nieuwe situatie in het leven te verwonderen en niet is behept met automatismen die hem in staat stellen adequaat op een belsignaal te reageren;

g)   na selectie uit de mogelijkheden volgt het besluit om de weg voor de achterliggende fietser vrij te maken. Het hoofd wordt naar voren gewend en nu wordt eerst de partner omtrent de situatie ingelicht en betrokken in een actieplan;

h)   de uitvoering van de voorgenomen actie kan per streek verschillen, maar komt er meestal op neer dat de links rijdende fietser vaart mindert en zodra de gelegenheid zich voordoet, het achterwiel kiest van de partner rechts;

i)     alle andere stadia onttrekken zich aan het oog van de beschouwer, omdat die uiterlijk tijdens de voltooiing van h) de vrijgekomen ruimte heeft benut.

 

De hier beschreven situatie is een simpel voorbeeld. Substitueer voor bejaard echtpaar naar believen een hele familie of een uitstapje van de bondsafdeling en tel uw zegeningen.

Wat leren wij uit voorgaande beschrijving?

Wij, dat zijn in het voorbeeldverhaal drie personen. Neem van mij aan dat de eerste twee er niks van leren. Resteert de inhalende fietser die zich op een nog voorkomender rijgedrag bezint. Hij beproeft achtereenvolgens drie methoden.

 

Methode 1. Hij wijzigt zijn belgedrag. Gelouterd door ervaring wantrouwt hij het gehoor van de medemens en belt nu op korte afstand en vele malen achtereen. Hij sorteert daarmee in zoverre effect dat er nu sneller wordt omgekeken naar wie daar als een gek aan het bellen is. Wat voor manieren zijn dit om mensen zo aan het schrikken te maken?

 

Methode 2. De fietser die heeft ingezien dat schrik verlammend en dus slechts in zijn nadeel werkt, heeft besloten om niet meer te bellen. Hij is bereid om tijdelijk af te zien van rijcomfort en neemt genoegen met de berm. Gedurende enkele tientallen meters kiest hij het gras of het zand om vervolgens weer het fietspad op te zoeken. Ook nu schrikken de oudjes zich een hoedje vanwege die onverlaat die zonder enig belsignaal zomaar voorbijraast. Op dit punt krijgen zij trouwens gezelschap van jonge moeders. Dezelfde fietser die compassie met de bejaarde medemens demonstreert, voorziet ook tot welk risicovol gedrag een jong gezin door een fietsbel verleid kan worden en besluit om vader, voorop met zoontje aan zijn rechterzijde en moeder met klein zusje in het kinderzitje, die angsten te besparen en wringt zich op de uiterste linkerzijde van het fietspad behendig langs betrokkenen. “Jan, pas op” is de steevaste kreet van de jonge mevrouw die de passage als eerste ervaart. Mevrouw, waarom zou u Jan laten schrikken op een moment dat de inhalende fietser al voorbij is? Vertrouw toch op de ervaring van de man met racefiets, die uw situatie voorbeeldig heeft ingeschat en met intense zorg om ieders veiligheid zijn actie plant en uitvoert. Maar juist omdat onze cyclist zich door sympathieke overwegingen laat leiden, is hij zich bewust van de kleinste schrikreactie die zijn geruisloze optreden teweegbrengt en dus besluit hij te berusten in methode 3;

 

Methode 3. De inhalende fietser betracht geduld. Hij wenst geen enkele gemoedsrust te verstoren, noch riskant rijgedrag uit te lokken. Hij mindert snelheid en peddelt op zijn gemak achter groepje of tweetal, wachtend op een gelegenheid die hem moeiteloos voorbij de medeweggebruikers brengt. En nu treedt een ander mechanisme in werking. Net zoals de fietser op weg naar Bregenz boze ogen in zijn rug voelde branden, zo wordt de aanwezigheid van de geduldige na enige tijd opgemerkt door de voorrijders. Waarom rijdt die man op racefiets zo achter hen aan? Kan hij niet bellen als hij voorbij moet? En zonder dat de rustige fietser er om gevraagd heeft, beginnen zijn voorrijders geagiteerd de weg voor hem vrij te maken, waarna de inhaalmanoeuvre alsnog plaatsvindt. Boze ogen zijn zijn deel en menigmaal ook verbale verwensingen.

Is er nog een andere methode, vraagt de vertwijfelde inhaler zich af. Waaruit bestaat toch mijn misdaad? Om die vraag te beantwoorden, zoekt hij de eenzaamheid en de stilte op en geeft zichzelf het provisorische antwoord dat dit intermezzo besluit: haal niet in en blijf op afstand. Een fietspad is geen speeltuin voor een democratie “à deux vitesses”. En geniet van uitzonderingen op de regel. Einde intermezzo.

 

Wanneer ik in Friedrichshafen op een beschaduwd terras zit, geniet ik intens van de rust om me heen. De stad maakt op het heetst van de dag een uitgestorven indruk, maar ik zit hier in Gasthof Schwanen aan een heerlijk megaglas Apfelschade. Zo meteen komen de Käsespätzle en binnen heb ik mijn keuze gemaakt uit een riant saladebuffet. Smakelijke gewoonte van de Duitsers, die Salattellerchen! Ik heb bijna 77 km afgelegd en door het vele gezeur is het gemiddelde gezakt naar 22,7.

 

Eindelijk in Bregenz. De uiterste bocht van het Bodenmeer. De laatste kilometers van het fietspad liggen vlak langs het water, het strand en de badgasten, maar dit is niks vergeleken met de manier waarop ik richting Lindau van de weg werd geknikkerd. Voorbij Eriskirch in de buurt van Oberdorf staat weer zo’n geel verkeersbord met zwarte pijl. Het fietspad ziet er goed uit, maar buigt dan van de hoofdverkeersweg af naar beneden. Voor een tunneltje kan ik naar links of rechts. Ik twijfel. Rechts van mij ligt het Bodenmeer, dat kan dus niet verkeerd zijn. Gelukkig komt mij hier een jonge mountainbikester tegemoet. Zij monstert mijn fiets en vraagt  kannst du über Steine fahren? Als ik twee stroken met scherpe stenen wil trotseren, weet zij wel een weggetje in de goede richting, als ik tenminste niet tussen de badgasten terecht wil komen. Einfach panisch! Beter is het om de andere richting te nemen, omhoog naar het dorp en vandaar terug naar de weg. Ik bedank haar vriendelijk. Ik heb geen zin om mijn banden aan die stroken te wagen. Tijd genoeg om een klein omweggetje te maken, maar waarom kunnen die Duitsers een fietser niet eenvoudig zijn weg laten vervolgen? En waarom geen richtingborden? Wat bezielt die fietspadontwerpers toch? Het weggetje dat ik nu volg, wordt een pad. Het pad houdt op. Tegen een heuvel is een betonnen trap van dik honderd treden aangelegd, onderbroken door een plateautje, en zij leiden naar een ruime woning. Ik krijg een déjà vu van de boerderij op weg naar Kordel en net als toen word ik voor mijn inspanningen beloond. Langs het huis loopt een smal pad dat weer naar beneden loopt en uitgeeft op een erf onder een oeroude boom. Daar ligt een driesprong en vraag ik nog maar eens naar de weg, want het heuvelt hier sterk en de weggetjes slingeren in verschillende richtingen. Overigens, dat ik de treden met de fiets op de nek nam, telt natuurlijk niet als afstappen!     

Via Kressbronn, Hege, Bodolz en Lindau kom ik op een drukke weg, ga een brug over en dan is daar het het rood-wit-rode bord met adelaar en de mededeling dat ik in Vorarlberg ben. Dit moment zou iets van euforie moeten veroorzaken, vergelijkbaar met mijn intocht in Bazel verleden jaar, maar toen zat de reis erop, en nu liggen er bergen op me te wachten. Voor me zie ik het Bregenzer Wald, uitloper van de Allgäuer Alpen en ik vind het best dat ik daar vandaag niet aan begin. Een foto van Oostenrijk!

 

In Bregenz heb ik de computer buiten werking gesteld, als ik door stad en park lummel op zoek naar een onderkomen. Vandaag is de eerste dag dat ik een hotel zoek zonder vooraf verzamelde gegevens te kunnen raadplegen. De VVV lijkt me de aangewezen instantie om me van dienst te zijn. Na de niet beste en duur betaalde koffie op een terras langs het Bodenmeer, met als visuele attractie het voorbijparaderen van een Grieks-Cypriotische pope in paarse tuniek, krijg ik al gauw genoeg van de Festspielstadt. Overal roepen affiches op om te reserveren voor bijzondere voorstellingen. Het Festspielpark is mooi aangelegd en hier vermaken bewoners en toeristen zich uitstekend. Ik wil me graag laten informeren, maar eerst zoek ik een onderkomen. De onoverzichtelijkheid van de betonnen jungle, waarlangs of waardoor ik met mijn fiets naar het centrum kan rijden, schrikt me ineens af en ik besluit Bregenz zo vlug mogelijk te verlaten. Na enig gezoek in een grauwe buurt kom ik op de goede weg die me eerst naar Lauterbach en vervolgens in Dornbirn brengt. Hier vind ik het mooi geweest. Een hotel vind ik nog niet zo 1,2,3 en net als ik van plan ben om mijn verkenning buiten de stadskern voort te zetten, ligt daar aan mijn rechterhand een gezellig ommuurd terras voor een restaurant. Ik informeer of hier ook overnacht kan worden. De eigenaar blijkt in een uitstekend humeur omdat hij morgen met vakantie gaat en als ik wil belt hij zijn zuster die ook een Gasthof drijft. Via de gsm van de Bruder komt het met Schwester in orde en zo installeer ik mij een halve kilometer verderop, waar de weg steil omhoog loopt, in Gasthof Loewen en keer na alle rituelen terug naar het restaurant. Buiten is het 33 graden en het terras van Gasthof Gemsle loopt vol. Ik ben in mijn nopjes dat ik Bregenz gelaten heb voor wat het is en laaf me aan de hoffelijkheid van de eigenaar, het personeel en de bezoekers. Iedereen kent iedereen en is in opperbeste stemming. Het grüß Gott en Servus zijn niet van de lucht. De bediening heeft interesse in mijn fietsavontuur en serveert Tomatensuppe, Buntbarschfilet mit Sauce Hollandaise und Salzkartoffeln. Het bier heet hier Mohren Bräu en smaakt als altijd voortreffelijk. De temperatuur verlokt mij tot het bestellen van een tweede 0,4 literglas en ik begin wazig te zien. Na het afrekenen moet ik moeite doen om uit een zalige roes te stappen en recht op de been te blijven.

De computergegevens zijn genoteerd, het is te vroeg om naar mijn kamer te gaan en ik maak een lange warme avondwandeling.

 

Tijd voor wat langzamere indrukken. Voor barokke gevels op het marktplein. Voor de mode-etalages, waarvan K.YOU me bevalt, maar was dat zwarte jurkje wel van Gucci?

Ik word bijna overreden door een rolstoeler die van links komt en niet tijdig de rem kan vinden. Samen lachen. In een bedompte bar, alle deuren staan bij dit weer natuurlijk open, gooit een klein meisje pijltjes in een autodartboard. Een nog triester aanblik biedt een jonge vrouw die lege flessen uit een stinkende container vist. Ik steek de weg over naar het Kulturhaus. Hier wordt breeduit het optreden van André Rieu aangekondigd. Van het Kulturhaus sla ik de weg omhoog in en maak een omweg door donkere spaarzaam verlichte lanen om bij Gasthof Loewen uit te komen. Hier liggen kapitale villa’s en panden van de Mohren-Bräuerei. Bij een zo’n enorme ommuurde villa blijf ik staan en lees op het koperen naamschild dat hier Dr. Julius Brändle woont. Ik neem me voor om thuis het internet eens op die naam te bevragen. Dat heb ik zojuist gedaan en Dr. Brändle blijkt niet alleen een gereputeerd advocaat en procureur te zijn, maar ook zijn mannetje te staan in de wijnproeverij. Een Tardieu-Laurent, Hermitage ’97 kreeg van hem 19 op 20 punten tijdens een Dégustation bij Helmut Klien in mei 2000. Terug naar de wandeling. Op de hoek van de Dr. Waibelstrasse is een kapel ingericht met gedenkplaquette. In 1629 verloor Dornbirn door de pest 900 van zijn 2000 inwoners, nadat de plaats in de middeleeuwen al vele malen aan de pest ten offer was gevallen.

Voor het slapen gaan kijk ik nog tv en noteer de uitgaven van de dag.

 

Totaal 120 km

Gemiddeld 21,8

 

Uitgaven van deze dag:

Hotel Rössle Tuttlingen                  € 30,-

2 flessen water                          -   2,-

lunch Friedrichshafen                     -  12,-

koffie Bregenz                           -   2,30

maaltijd Dornbirn                        - 12,80

 


maandag 4 augustus

DORNBIRN – DAVOS

 

Als ik ’s morgens bij het afrekenen een opmerking maak over de plaquette, blijkt mijn nijvere gastvrouw niet op de hoogte van enige ramp die Dornbirn vroeger getroffen heeft.

Bij Schlecker koop ik twee flesjes isotone drank voor onderweg. Het wordt een 3-landentochtje vandaag. Bij een iets andere planning was het met gemak zelfs een 4-landentocht geworden. Het is bij vertrek niet te warm, omdat de zon nog achter de bergketen van het Bregenzer Wald omhoog kruipt.

De reis is in zijn tweede fase gekomen. Het aftellen is begonnen, want langzaam maar zeker zal ik me van 415 meter boven de zeespiegel naar 1540 meter gaan verplaatsen. Dat is net zo hoog als de toppen die ik nu links van me zie oprijzen. Laat ze daar maar liggen. Het aardige van bergen als deze is dat ze gescheiden worden door een vlakke vallei. Voorlopig fiets ik in Oostenrijk als op een biljartlaken en ik denk terug aan de boeiende documentaire die ik gisteravond op tv zag. Het was een uitzending van de Bayerische Rundfunk over een populaire zangeres uit de 60-er jaren, Alexandra. Vreemd, nooit van haar gehoord. Zij moet toch geconcurreerd hebben met Conny Froboess, Caterina Valente, Freddy Quinn en al die andere schlagerzangers. Haar levensloop, voorkeur voor het Russische repertoire, contacten met managers, ontmoeting met Bécaud, strijd voor haar eigen stijl, maar vooral haar raadselachtige dood en de nasleep om haar muzikale en materiële erfenis, maakten veel indruk op me. Een klaaglijk Russisch lied, haar tophit, herken ik. De opname van dit lied moet legendarisch zijn geweest: hoe zij eerst weigerde, onvindbaar was, toch naar de studio kwam, in trance zong en verdween, zodat de opname enig is in zijn soort. En als dit verhaal  niet waar is, wil je het toch geloven. Het voornemen om terug in Nederland meer over haar aan de weet te komen, is nog steeds niet ten uitvoer gebracht. Na dit verslag, spreek ik nu af. Alexandra werd geboren in 1942, stierf in 1968 in Parijs.

 

Hohenems, Götzis en Feldkirch zijn de routeplaatsen naar de grens met Liechtenstein. Nu ik thuis de foto van het Zollamt Schaanwald opnieuw bekijk, valt me pas op dat het om een Zwitserse post op het grondgebied van Liechtenstein gaat. In elk geval is het de eerste post waar echte controles plaatsvinden en ik moet mijn beurt afwachten. Hoef overigens geen papieren te tonen.

 

Na de plaatsjes Nendeln en Schaan en de stoplichten ervoor, ertussen en erachter zie ik na een tijdje links, hoog tegen de bergwand, het veel gefilmde slot van de vorst liggen. Hier woont dus de man die onlangs via democratische stemming tot alleenheerser werd benoemd. Dat moet kunnen. Een soeverein volk heeft het recht de regeermacht over te dragen, in het vertrouwen daarmee zijn eigen belang te dienen. Het gezicht op het slot met daarachter de scherp getekende bergformatie is prachtig. Aan de andere kant strekt zich nog steeds een biljartlaken uit.

In Vaduz, na 39 km gemiddeld 22,5, ga ik een kwartiertje uitrusten, niksen. Jammer genoeg is het slot vanuit het centrum niet meer goed zichtbaar en het is nu te heet om voor een foto extra inspanningen te verrichten. Op het plein van de stad schets ik het wapen dat de voorgevel van een gouvernementeel uitziend gebouw siert. Thuis op internet ontdek ik dat het hier niet om het wapen van het vorstendom gaat, dus hou ik het op het gemeentewapen van Vaduz. Maar vraag me niet wat er nu precies op staat. Wat ik me verder van het plein herinner is de levendige handel, vooral in leren handtassen.

 

Mijn volgende halteplaats is Maienfeld, het eerste Zwitserse plaatsje dat ik aandoe. Als ik daar aan ben gekomen staat de teller op 55,4 km en is het gemiddelde gezakt naar 21,8. Met zo’n klim is dat niet verwonderlijk. Na het plaatsje Triesen komt Balzers en ik heb mezelf beloofd om niet de makkelijke omweg over Sargans en Bad Ragaz naar Landquart te nemen, maar mijn entree in Zwitserland enige allure te geven. Als ik morgen alpenreuzen wil bedwingen, is de Luziensteig vandaag een mooie opwarmer. Dus sla ik in Balzers linksaf, kan nu ook kaart 216 opbergen in de wetenschap dat ik aan mijn laatste Michelinkaart begonnen ben. Na het passeren van de Zwitserse grens stijgt de weg eerst maar licht. Hier in een open vlakte doet de zon het nodige sloopwerk. En dan wordt het zwaar. De Luziensteig wordt op de kaart door een paar gemarkeerd en is bijna 4 km lang. Op mijn “Hundsrück-verzet” (Hundsrück niet te verwarren met Hunsrück!) van 42 x 26 zie ik af, tandvleeswerk. En dorst. Als ik op de top ben, rijd ik door iets wat op een burcht lijkt, een soort kleine citadel van Namen. En als ik de afdaling naar Maienfeld voltooid heb, de laatste honderden meters over smal hobbelig asfalt en langs ommuurde tuintjes, doe ik mezelf nog een belofte. Dit is de laatste keer geweest dat ik zonder helm heb gedaald. Bij de volgende gelegenheid ga ik dat ding op mijn kop zetten.

 

Holadiejee, holadiejo, ik ben in Fideris en ik ben het zat. Het is drie uur in de middag en er moet gegeten worden. En het is zo gruwelijk héét tussen de inmiddels wat saai ogende alpentoppen. Bij dit restaurant stap ik af. Het ligt een paar meter hoger dan het wegdek en is omgeven door een ook hooggelegen slordig aangelegde terrastuin. Daar neem ik plaats op een beschaduwde bank en hoop dat de tent niet gesloten is. Daar komt al iemand aan, de vrouw des huizes neem ik aan, in blote benen op pantoffels en met een uitdrukking op haar gezicht of ze net is opgestaan. Ik kan er wat te eten krijgen. Veelbelovend klinkt het niet en de kaart biedt zo te zien niet veel bijzonders voor al dat geld. Net als ik bedenk dat het hier wel erg duur is, realiseer ik me dat de prijzen in Zwitserse francs zijn. Was het wel slim om geld te wisselen? Zou ik in dit land niet evengoed met euro’s kunnen betalen? Na de korte rustpauze in Maienfeld, waar ik voor het eerst op deze reis rad Italiaans hoorde spreken door een rumoerig stel in een auto, was geld wisselen mijn eerste gedachte. Op naar Landquart over een vlakke door bomen beschaduwde weg.

Terwijl ik in mijn opschrijfboekje noteer wat er te Landquart voorviel, brengt de waardin mij het bestelde mineraalwater en alvast de salade met brood. Het water zit in een glas, geen flesje. Zou dit zo’n zaak zijn waar gewoon kraanwater met koolzuur getapt wordt?

In Landquart pinde ik  honderd francs in de vorm van één biljet, dat ik wel voor kleinere wilde inwisselen. Er was immers een wisselautomaat naast die voor de geldafgifte. Niet goed opgelet. Mijn 100 francs-biljet werd niet omgewisseld in biljetten van 20, maar in munten van 20 centimes. Daar stond ik met mijn zware muntrollen. Naar een winkelcentrum dan maar om sportdrank en bananen te kopen en de munten, die ze hier vast graag willen hebben, voor biljetten in te wisselen. Ik wil de caissières niet ontrieven en meld me eerst bij de klantenservice. Daar krijg ik voor mijn rollen een biljet van honderd francs. Nee, kleinere biljetten zijn hier niet voorradig. Dus toch met groot geld naar de kassa, en zo verloopt de eerste transactie in Zwitserland voorspoedig, zij het gecompliceerd.

 

Tjonge, wat is dat brood droog. Is vast nog van vrijdag. En wat een hulpeloze slablaadjes. Het is dat ik hier beschaduwd zit.

Na in Landquart een banaan verorberd te hebben, begint het eigenlijke avontuur. Ik ga linksaf, de 28 op, op weg naar Davos. Rode bordjes wijzen fietsers er op dat er aan hen gedacht is, een mooie geste. Zo ben je van het gemotoriseerde verkeer verlost, blijf je op paden die min of meer parallel aan de weg lopen en dat maakt fietsen tot een genoegen. Zo kom je ook door plaatsjes als Grusch en Schiers. Maar l’histoire se répète. Net als bij de Tour de Murg het geval was, of langs het Bodenmeer, gaat ook hier het wegdek na een tijdje van asfalt op grind over om soms weer een stukje asfalt te offreren. Maar mooi is het wel. Over een sijpelende bergrivier is een houten brug geslagen. Op deze brug maak ik een foto van het landschap en ik heb nu het gevoel echt in Zwitserland te rijden. Even later word ik door de rode bordjes uitgedaagd om een juiste afslag op een splitsing te nemen. Omdat de weg naar links omhoog kronkelt en die rechts naar beneden duikt, parallel aan de spoorweg, besluit ik dat ik die laatste moet nemen. Na een paar honderd meter wordt het pad steeds minder betrouwbaar en mondt uit in de scherpe steenmassa die ook tussen de spoorbielzen wordt aangetroffen. Verderop wordt aan de spoorweg gewerkt. Ik rij omzichtig, tegen beter weten in verder, en als een oude kerel op een lorrie in mijn richting komt, vraag ik of deze woestenij weer overgaat in een pad richting Davos. Nee, roept hij, ik moet terug, bij de splitsing de andere afslag volgen. Ik kom over gewone smalle weg in het plaatsje Grusch, vervolgens in Schrau. Daar duikt de weg onder de 28 door, maar na Jenaz kom ik bij Fideris weer op de grote weg uit en daar bevindt zich de uitspanning waar zojuist mijn bestelde spiesje met aardappels voor mij is neergezet. Hm, ziet er wel goed uit.

Au, kristus nog an toe, ik verbrand zowat mijn handen aan het bord. Had die vrouw mij daar niet voor kunnen waarschuwen? Mijn eerste kennismaking met Zwitserland is niet bijster opwekkend. Omdat in Landquart, waar buiten de supermarkt alles dicht is, een eetpauze niet voor de hand lag, stelde ik mijn hoop op iets langs de weg, maar ook in Grusch was alles dicht en op meerdere plaatsen gaat men pas om half vier open. Dit hier heet Gasthof Au en het krijgt van mij nul sterren. De aardappels drijven smakeloos in vette boter met peterselie. Koken kunnen ze hier ook al niet. Het vlees dat er goed leek uit te zien, is zurig en ik hoop van harte dat ik hier geen voedselvergiftiging oploop. Tenslotte moet er straks ook nog wat geklommen worden.

 

Om tien over acht ’s avonds voltooi ik mijn dagelijks ritueel. Ditmaal heet het bier Calanda en ik nuttig het in het Bellavista Hotel te Davos, waar een leuke Nederlandse receptionist me welkom heeft geheten en waar ik onder meer een heerlijk bad heb genomen met mineralen uit de Dode Zee.

Deze dag is als een melodrama. Eerst de euforie over het bereiken van Zwitserland en de pracht van de natuur, dan de ontgoocheling om vervolgens weer naar een happy end toe te leven. De ontgoocheling, ingeleid door de hitte en vage ongenoegens, verdient de volgende kop;

 

Het debacle van Fideris

Voor het spoorwegstationnetje aan de overkant stopt een motorrijder. Zijn kompaan voegt zich even later bij hem. Zij nemen de tijd om in de brandende hitte en in hun zwarte pakken aan een der motoren te sleutelen. Er zijn kennelijk startproblemen. Minutenlang duurt het geraas van de motor. Als ik hier geen voedselvergiftiging heb opgelopen, dreigt nu een andere ramp en het nare kostje dat ik achter de kiezen heb moedigt extra aan om hier op te breken. Door alle consternatie ben ik vergeten wat ik exact moest betalen, laten we zeggen 22,95 francs. Ik betaal met het biljet van vijftig. De waardin vraagt of ik geen klein geld heb, zodat zij enkel biljetten hoeft terug te geven.. Als ik na enig peuterwerk voldoende muntgeld op tafel heb gedeponeerd, kan ik net zo goed dit bedrag completeren met een der biljetten van twintig. De waardin incasseert het geld en ik neem het vijftigfrancsbiljet  terug. Dat denk ik, want waar is dat biljet? Zij is zich nergens van bewust en hoe ik ook een gebeurtenis van vijftien seconden geleden op zo’n manier tracht te reconstrueren, dat ook zij verbaasd moet zijn, het haalt niets uit. Er staat geen zuchtje wind en onder of naast de tafel is niets te vinden. Het is mij duidelijk dat ik een achterhoedegevecht lever en dat ik eenvoudig bestolen ben. Zij laat mij haar geldtas zien, toont een biljet van vijftig, het enige biljet dat zij had. Zoals ik zie is er geen biljet bijgekomen. Nee, dat haal je de koekoek, dat biljet kun je godweetwaar gestopt hebben. Ik verlaat de terrastuin giftig, zeg ten afscheid iets in de trant van “War nie zuvor in der Schweiz. Da muss man Lehrgeld zahlen.”

Ik vergeet ook de computergegevens op te schrijven. Voor mij ligt de klim naar Saas. Tot nu toe ging de weg wel merkbaar omhoog hier en daar, maar echt klimwerk laat op zich wachten. Ik moet mijn mistroostigheid zien te overwinnen, want moraal is nodig om te klimmen. Na de eerste stijgende meters stap ik bij een plateautje af om mijn hele inboedel nog eens te inspecteren. Misschien heb ik dat mens van Au wel ten onrechte verdacht en duikt het verloren gewaande biljet zomaar op. Nee, ik moet berusten. Terwijl ik verder klim, voorbij Saas richting Klosters, valt me op hoe verblindend het zonlicht ineens is. Ik tast naar mijn zonnebril, maar die is weg. Een snelle reconstructie: tijdens het opnieuw inspecteren van mijn reisétui op dat plateau buiten Fideris heb ik mijn zonnebrilglazen afgezet en vergeten mee te nemen. Ook dat nog. Jammer, de rest van de reis gaat zonder zonnebril.

 

Op weg naar Klosters Dorf wordt het klimmen zwaar. Tijdens de voorbereiding van mijn reis heb ik met de gedachte gespeeld om niet Davos, maar Klosters als pleisterplaats te kiezen. Ergens las ik dat dit het geliefde wintervakantieoord van de Prins van Wales is. Die omstandigheid is mogelijk van invloed op de prijzen, maar in Davos overnacht ook wel eens een celebrity. Ik moet denken aan Mandela in de sneeuw, die onverwacht Ruud Lubbers ontmoette, die om een andere reden hier moest zijn.

Maar als ik het nu al zwaar heb, hoe moet dat dan van Klosters naar Davos, waar de weg op de kaart drie keer een krijgt? Ik snak naar een rustpauze, om met hernieuwde kracht aan het laatste gedeelte van de étappe te beginnen. Het lukt me echter niet om bij het binnenrijden van Klosters een geschikt afstapmoment te bepalen. De weg door het dorp blijft sterk stijgen en draait voortdurend en voor ik het weet, en misschien omdat ik ineens een hekel aan de plaats kreeg, ben ik het centrum voorbij en kom ik in het fraaie bosgebied op weg naar Laret en Davos terecht. Hier wordt het echt steil en ik ontplof zoals dat heet. Naast de weg is nauwelijks ruimte. Ik hijs mijzelf met fiets op de berm en zoek een plekje op de rots tussen de bomen. Eet mijn overgebleven banaan op. Terwijl ik uitrust komt een jonge vrouw voorbij, die op een uiterst kleine versnelling naar boven rijdt. Dat beeld geeft weer moed voor de laatste kilometers en ik stap weer op. Na een paar bochten zie ik haar uitrusten op een riante plek, tegen een hekje geleund dat de wandelaar ervan weerhoudt om in de dieper gelegen snelstromende bergbeek te vallen. Ik schat haar ten hoogste 30, vraag of zij in de buurt bekend is en eventueel tips voor een overnachting in Davos heeft. Hoewel zijzelf uit Davos is, en een familielid appartementen verhuurt, is zij geheel onbekend met de hotelbranche ter plekke. Ik maak haar deelgenoot van mijn ervaringen vandaag. De route die ik heb afgelegd kent zij en mijn plan om morgen naar Sta. Maria te rijden, lijkt haar te doen. Na dit aardige gesprek vervolgen we samen onze weg. De klim blijft zwaar tot de laatste kilometer voorbij Laret. Ik rijd de hele klim op het verzet 30 x 19 en mijn gemiddelde rijsnelheid is niet hoger dan 9 km/u. Als ik omkijk, zie ik niettemin geen spoor meer van mijn mederijdster.

 

De afdaling naar Davos, met links van mij de Davoser See, vergt de nodige concentratie en is bij het binnenrijden van de stad even akelig door het vele verkeer en het viaduct waar ik onder door moet. De computer wordt weer buiten werking gesteld, want ik moet nu in een grote toeristenplaats op zoek naar een plek om te overnachten. Gisteravond in Dornbirn lag de prijs al hoger dan de dagen ervoor en vandaag verwacht ik een nieuwe piek in dit opzicht. Omdat het gesprek met de aardige Zwitserse van daarnet mijn algehele gevoelen ten aanzien van dit land nog niet definitief omgebogen heeft, erger ik me al vlug aan het uitblijven van toeristische informatie. Ik rijd de hele plaats door, van Dorf naar Platz voor de kenners, maar stuit nergens op een behulpzame plattegrond. Als ik op het punt sta om te keren en me bezin op doeltreffende actie, zie ik ineens het woord TOURISMUS. Binnen een paar minuten is alles geregeld! Uiterst efficiënt krijg ik niet alleen alle gewenste informatie, maar ook de boeking wordt perfect en kosteloos geregeld. Als ik met stadsplattegrondje en reserveringsformulier buiten sta, hoor ik hoe de rolluiken gesloten worden. Het is zes uur en het bureau sluit. Ik was de laatste klant!

 

Het meIodrama neemt een wending naar het happy end. Hotel Bellavista wordt door hotelstudenten gedreven en ligt even hoger dan het Nederlandse Astma Centrum. Ik kan er ook eten als ik wil, maar dan moet ik me van tevoren inschrijven voor de maaltijd.

Het hotel is super de luxe en een toonbeeld van service. De Nederlandse jongen die vanavond de balie beheert, elke student heeft elke week of dag een andere functie, is uiterst voorkomend. Als ik vanaf het achterbalkon naar buiten kijk, ligt daar donker tegen de hemel de Schatzalp. De verpakking met Dode Zee-mineralen in de badkamer is een attractie tegen vergoeding, maar ik besluit mijzelf erop te trakteren. Ik voel mij gelukkig in dit eerste echte bad tijdens deze reis (ook het laatste), heb vrede met het leergeld van Fideris en raak geëmotioneerd door de vaststelling dat ik mijn plan opnieuw heb uitgevoerd. Het is een gemoedsstemming waar een vuist bij hoort en een krachtige neerwaartse beweging van de onderarm.

Als ik in afwachting van de maaltijd en tussen de slokken Calanda door mijn computer raadpleeg, blijkt dat ik vandaag voor het eerst ver onder de 20 km/u gemiddeld heb gereden.

Het was me ook een rit. En de laatste kilometers vielen niet mee. Maar de dag van morgen moet lukken. En anders maar een rustdag. Of de rit van morgen in tweeën splitsen?

Maar de Umbrail, dat is nog wat anders. Ik ga het misschien niet redden.

Ik bel met mijn oudste zoon en bedenk dat reizen vroeger anders was, zonder gsm en zonder fietscomputer, en ook dat ik onderhand wel wat wil eten. Ik heb mij toch keurig voor de maaltijd aangemeld (standaard voor iedereen, geen à la carte)? Wij zouden spaghetti krijgen is mij beloofd. Ha, daar komt een studente. Hoe ik de spaghetti wil? Met pesto, alla bolognese of nog anders? Ik kies alla bolognese en wacht een eeuwigheid. Is dit een maaltijd? Ik krijg een bord spaghetti met daarover een bleek dun sausje. Hier zal ik het toch niet mee moeten doen? Ik kan ook nog kruimelkaas hebben. Voorzichtig informeer ik of er iets van salade bij geserveerd kan worden? De studente fronst. Zij zal het opperen. Denkt wel dat dit tot de mogelijkheden behoort. Als zij later terugkomt, lijkt zij het saladeverhaal vergeten. Ik kan een dessert kiezen. Welke desserts zijn er? Wil ik het dessert of niet? Er is er maar één, het heet Yogi of zoiets. Als bedoelde Yogi arriveert, blijkt dit een chocolade tulbandje met een bolletje vanille-ijs te zijn. Nog nooit gezien. Ik doe er zo lang mogelijk over. Deze dag is goed geëindigd, maar culinair gesproken is dit een dieptepunt. En niet te rijmen met de status en service van dit hotel.

Als ik me in de invallende duisternis overgeef aan de machtige aanwezigheid van de Schatzalp, merk ik dat de avondlucht op deze hoogte aangenaam koel begint te worden.

Beneden mij hoor ik veel en pijnlijk hoesten. Patiënten van het Astma Centrum. Arme donders.

 

Totaal 105 km

Gemiddeld 19,1

 

Uitgaven van deze dag:

Hotelkosten Gasthof Loewen             € 45,-

Isodrank Dornbirn                        -   0,98

Bananen en sportdrank Landquart        -   2,93 ( of F 4,30)

Maaltijd Gasthof Au                             - 15,60 (omgerekend)

Gestolen biljet 50 francs                 - 34,-

 


dinsdag 5 augustus

DAVOS – SANKTA MARIA

 

Om ergens te komen heb je de kaart niet meer nodig. Nu ik eenmaal in Davos ben, zijn alternatieven niet voorhanden. De weg voert vandaag onverbiddelijk over de Flüelapass en de Ofenpass, in het Italiaans de Pass dal Fuorn. Van de laatste heb ik een profielkaartje kunnen downloaden, voor de eerste is het prettig dat ik een kaart kan raadplegen, die 28 km tot Susch aanwijst, keurig verdeeld in 14 km klimmen en 14 km dalen. De klimroute wordt  achtereenvolgens aangeduid door de pijltjes > > ≫ > ≫ ⋙≫.

Na een wat nerveus ontbijt ben ik aan het klungelen geslagen. Sinds mijn vertrek uit Dommelen heb ik nog één keer een band opgepompt, dat was na het lekrijden voor Freisen.

Vanmorgen kom ik erachter dat de bandjes aardig slap aanvoelen. Ook omdat de étappe vandaag ultrakort is en ik tijd genoeg heb voor de twee bergpassen, moet eerst daar maar eens iets aan gedaan worden. Met mijn handpompje kan ik nog altijd aan de slag, maar eerst ga ik op zoek naar een hogedrukpomp. Eindelijk slaag ik bij een bedrijf in landbouwmachines en tractoren. Het ligt op het kruispunt waar de wegwijzers Flüelapass aangeven. De werkplaatsbeheerder die mij helpt, blijft maar doorpompen. Telkens als ik denk dat de banden uit elkaar gaan klappen, vindt hij dat er nog iets bij kan. Als ik weer mijn Pinarello bestijg, verbeeld ik me niet eens dat ik lekkerder op mijn fiets zit, het is zo. Dat geeft moed voor de komende kilometers.

 

Het is half elf als ik de teller op 0 zet. De richtingwijzers met Flüelapass geven een aangenaam gevoel. Hier rij ik en ik doe mee. De klim verloopt geleidelijk. Mijn verzet pas ik onderweg aan. De eerste kilometer gaat nog op 42 x 18, bij kilometer twee schakel ik over naar 30 x 18 en al vrij snel daarna naar 30 x 19. Ik wil in deze beginfase zoveel mogelijk het gemak ervan nemen. Is dat hotel in de bocht daarginds al Zum Tschuggen? Dat schiet lekker op, ik ben zowat op de helft. Het moeilijkste gedeelte moet echter nog komen. Op steilere stukken schakel ik door naar 30 x 21 en bij het stuk dat met wordt gewaardeerd, zelfs naar 30 x 23.  De laatste kilometers zijn behoorlijk zwaar en ik kom tamelijk stuk te zitten, blijf niettemin genieten van het landschap met helemaal boven een langgerekt meer en dan is daar toch nog vrij onverwacht het bord Flüelapass 2383 m. De totaal afgelegde afstand was 12 km 870 m en ik heb er bijna vijf kwartier over gedaan, gemiddeld 10,2 km/u.

Maak een praatje met een jonge Duitser in Telekom-outfit, wij nemen foto’s van elkaar. Dan gaat de teller weer op 0 en maak ik me op voor wat nooit mijn liefhebberij zal worden. Vroeger, herinner ik me, was afdalen altijd de beloning voor geleverde inspanning. Heerlijk naar beneden zoeven omdat je het verdiend had. Hier is het een kwelling. De pijn in de handen is nog het ergst. Zouden wielrenners daar aparte technieken voor ontwikkelen? Nee, die remmen natuurlijk niet zoveel. Monsterlijk steil is deze afdaling. Ik passeer onderweg diverse wielertoeristen die de moed hebben zich tegen deze berg te verheffen. Door welke hogere beschikking het komt weet ik niet, maar ik prijs me bij elke afdaling gelukkig dat mij de makkelijke klimkant ten deel is gevallen. Dat was vorig jaar in de Vogezen al zo en deze vakantie is het niet anders.

Als ik in Susch de afdaling heb voltooid, staat de teller op 13 km 330 m. Ik heb er 22 minuten over gedaan, gemiddeld 36,1 km/u. En de teller gaat weer op 0.

 

Nu eerst een beetje rust. De eerste pas zit erop. Ik kom nu in Zernez, dat is al iets. Bij de Raiffeisenbank pin ik nog maar eens honderd francs en even later zit ik onder de parasol bij Hotel-Restaurant Spöl. Na een Gerstensuppe volgt later Spaghetti Napoli met salade en een koele Rivella is verkwikkend. Ik heb alle tijd om aantekeningen te maken, want wat duurt het hier allejezuslang voor die spaghetti komt. Als hij eindelijk arriveert, smaakt hij voortreffelijk, maar merkwaardig genoeg krijg ik hem niet op. Is het de hitte, heeft het vermoeide lijf moeite om te eten? Ik voel dat alles aan mij eraan toe is om eens onbedaarlijk uit te rusten, maar ik moet nog een stukje. Motorrijders vullen nu het terras. Zij trekken hun pakken uit en laten zich dan vergenoegd in de stoelen zakken. Sterke, stoere kerels zijn het. Een ander ras dan fietsers. Ik ga een plek opzoeken om wat uit te rusten.

Midden in Zernez zoek ik mij een weggetje via een hotelparkeerplaats naar een achtergelegen weiland. Daar zoek ik de schaduw van een wilgenboompje op, vlak naast een hek waar ik mijn benen op laat rusten. Boven op de Flüelapass was de temperatuur aangenaam warm, hier beneden in het dal is het loeiheet. En ondanks de hitte werken boeren op het land naast mij, in de volle zon met ontbloot bovenlijf.

Als de winkels eindelijk opengaan, koop ik in de COOP 2 flessen sportdrank en ga weer op weg.

 

Om tien voor zeven ’s avonds bestel ik de maaltijd, maar ik weet niet goed wat ik bestel en naderhand evenmin wat ik precies op mijn bord krijg. In mijn aantekenboekje lees ik pizocals, is dat de goede omschrijving? Later volgen nog capuns, een soort in kaas gebakken aardappel en een Café de Chasa als dessert. Het bier is hier opnieuw Calanda, een product van Heineken Switzerland. Het is toch minder smakelijk dan het Duitse of Oostenrijkse bier, laat een muffe nasmaak achter.

Dat ik hier in een der eetzalen van Hotel Alpina aan deze tafel zit, is minder aan eigen initiatief dan aan het strakke huisregime te danken. Hele volksstammen moeten hier gevoed worden en dat vereist een strakke hand. Van de ontvangst in Sankta Maria, plaatsje met lieflijke naam, had ik me een iets andere voorstelling gemaakt. Ik was immers de gast uit Nederland, met wie al emailcontact bestond en die de reden voor eventuele vertraging omstandig had uitgelegd, en nu sta ik hier keurig op de afgesproken datum. Ja, maar ik sta er niet alleen. In het hotel heerst topdrukte. Door het warme weer zijn de toeristen plots toegestroomd. Een kamer in het hotel is er niet, maar wel in de dépendance.  Douche en wc moet ik op de étage daar delen met anderen, maar op dit moment gaat het om “nur eine Dame”. Dat klinkt spannend, maar is niet erg praktisch. Gewend om mijn wielerwas in alle rust op de eigen kamer te doen, blokkeer ik nu enige tijd een gezamenlijke ruimte. Maar met de “stress” valt het nogal mee.

Op Hotel Alpina was destijds mijn keuze gevallen, omdat vader en zoon verwoede fietsers waren en helemaal ingesteld op wielertoeristen die zij met raad en daad bijstaan. Het idee om na de maaltijd gezellig met de gastheer te kouten over het afgelegde en nog te volgen traject, hoe de Umbrail aan te pakken, misschien hier een rustdag plannen enzovoort, spookte voordien door mijn hoofd, maar blijkt in deze heksenketel een vroom spinsel. Als ik uit het raam van de dépendance kijk, heb ik uitzicht op de wegwijzer aan de T-kruising: Umbrail/Stelvio staat er te lezen. In dit hotel zijn zo niet alle, dan toch de meeste hoofden vervuld van die woorden. In de gelagkamer puffen hele pelotons uit in hun merkenshirtjes. Zodra tafels vrijkomen, worden zij naar de eetzaal gedirigeerd. Als ik mijn fiets in bewaring geef, wordt die naast tientallen andere racekarretjes opgehangen in de speciale opslagruimte. Ik vraag mij af of een buitenstaander mij bij al deze mannen zou indelen. Ik voel mij niet echt tussen hen thuis, dit zijn grote jongens die zich een sportief doel hebben gesteld, ik kom uit Nederland en beleef mijn eigen avontuur. En hoe meer ik de omgeving in me opneem, hoe meer het verlangen groeit om snel hier op te breken. Sankta Maria is geen plaats om er een dag te verblijven, maar om vandaar uit iets te ondernemen. En iets ondernemen betekent: omhoog naar de Stelvio, of in andere richting naar de Ofenpass, of omlaag naar Glurns. Nou ja, aan dat laatste valt niet te denken. Vandaag heb ik twee Alpenpassen bedwongen. Morgen hoef ik nog maar één fikse helling op.

 

Wat een plezier om over een profiel te beschikken. Je kunt je op een helling helemaal instellen. De Ofenpass bereik je bovendien via een zeer merkwaardig en lang niet onaantrekkelijk traject. Vanuit Zernez naar de top zijn het 22 km. Na een korte makkelijke aanloop stijgt de weg over 4 km hevig, het percentage schommelend tussen 7,7 en 11,3 %; dan volgt anderhalve km matige klim en begint een lange geleidelijke afdaling tot km 12. De laatste 10 km bevatten sporadisch een steil stuk, zijn gemakkelijk te doen tot 2 km voor de top. Daar gaat het ongenadig omhoog met percentages tot 12,3 %.

Wat zal ik ervan zeggen? Zoals het profiel, zo de klim. De eerste kilometers gruwelijk, maar op het makkelijke gedeelte prinsheerlijk. Afgezien van de hitte dan, want twee drinkpauzes onderweg bleken noodzakelijk. Zo rond km 17 beleef ik een van die gelukzalige momenten, die in wezen niet veel van andere verschillen, maar enkel te danken zijn aan een plotseling besef van de situatie. Hier fiets ik op grote hoogte, met om me heen enkel de natuur en ik ervaar mijzelf als de enige ziel die haar waarneemt. Zo volmaakt stil is het soms om me heen. Het volgende moment kan die stilte weer verbroken worden door knetterende motoren. En is het niet gek dat ik behalve door de fietser bij Stockach nog steeds niet door iemand ben voorbijgereden?

 

Als ik nog ruim 2 kilometer moet klimmen, zie ik de vervaarlijke bochten met hun afgrijselijke percentages voor me liggen. Waarom krijgen die op de Michelinkaart maar een dubbel pijltje? Met nog anderhalve kilometer te gaan, besluit ik dat het gemak de mens dient en wordt voor het eerst naar de kleinste versnelling 30 x 26 geschakeld. Steeds geweten dat die versnelling slechts “mocht” op de gevreesde Umbrail, maar dit liegt er niet om. De laatste honderd meter vlakken af tot 6,2 %. Een meisje dat op de stoep voor een restaurant zit, applaudisseert sympathiek als ik boven ben. In de verte ligt sneeuw op de bergen. Gelukkig maar. Nadat in de kranten te lezen was hoe de extreme zomerhitte de eeuwige sneeuw van de Matterhorn had doen smelten en de bergtop zelfs gevaar liep in te storten, was ik bevreesd dat ook de Stelvio een weinig romantische aanblik beschoren zou zijn. Ik maak een foto van het vergezicht.

Op weg naar Sankta Maria, door Tschierv, Fuldera en Valchava met steeds meer auto’s en motorrijders die elk plezier in het dalen grondig bederven, waait een koude wind me tegemoet. Hoe kan dat zo ineens? In Sankta Maria met zijn smalle straatjes wemelt het van de opstoppingen. Automobilisten lijken elkaar naar het leven te staan, geschreeuw en getoeter. Ze zoeken het maar uit.

 

Nog meer leuks te melden? Jawel. Als mijn waslijn het al twee keer begeven heeft en ik hem tenslotte met succes over het balkon heb gespannen, is het tijd om naar het restaurant aan de overkant te gaan. Op dat moment begint het buiten te regenen. Waslijn weer binnenhalen, opnieuw in de kamer aanbrengen. Ik aarzel. Zal ik mijn regenjack aantrekken? Ik doe het niet, want de hotelingang ligt 20 meter verder. Helaas heb ik niet goed opgelet bij de korte wandeling naar de dépendance en ik sla de verkeerde hoek om, wil een identieke deur als die van het hotel binnengaan, maar vind deze gesloten. Als ik de richtingfout heb geconstateerd, is het pijpenstelen gaan regenen. De gevel van het huis waar ik nu sta, wordt gerenoveerd. Een bouwsteiger met plastic afscherming biedt beschutting. Naar de hotelingang zijn het nu 40 meter. Ik schat in dat als ik nu een korte sprint trek, een paar seconden genoeg zijn om me drijfnat te maken. Terug naar mijn kamer is ook geen optie, want ik heb geen andere droge kleren om aan te trekken. Hoe lang duren slagregens in dit gebied? Gelukkig niet al te lang weten we nu, want om 18.50 uur zit ik aan tafel.

 

Morgen niet vergeten om Cycletours te bellen. Mijn terugreis vanuit Verona moet bevestigd worden, een begrijpelijke maar toch ook onrustig makende regel. Stel dat telefonisch contact ter plekke niet lukt, of dat je door welke omstandigheden ook het onderweg eenvoudig vergeet?

Tegenover mij aan tafel zit een zwijgende in zichzelf gekeerde man. Gezamenlijk hebben we niet de moed of de energie of de aandrang om een praatje te maken.

Ik noteer de restgegevens van de computer: van Susch via Zernez naar Sta. Maria: 41 km 500 m. Gereden in 2 uur 22 minuten, gemiddeld 17,3 km/u. Als ik al die gemiddelden thuis nog eens nareken, blijkt de fietscomputer zich niet aan de rekencalculator te houden en eerder in mijn nadeel te registreren. 

Na de maaltijd is het buiten opgeklaard, de temperatuur is aangenaam, eerder koel dan warm. Maar dat schijnt hier vaste prik te zijn, morgen wordt weer net zo’n dag als andere.

Sankta Maria is een snijpunt van richtingen. Rondwandelen kun je er niet. Vanaf de wegwijzer onder mijn raam loop ik richting Umbrail. De eerste tweehonderd meter worden op de profielschets met 14,1 % aangeduid. Dat is te merken. Na een tijdje keer ik om, terug naar de splitsing en loop richting Müstair. Bij de rand van de dorpskern aangekomen, kijk ik over een donker wordende nevelige weg die in de verte naar beneden gaat. Moet terugdenken aan mijn plannenmakerij enige maanden geleden, toen deze richting een optie was. Mooi niet.

Terug naar mijn kamer. Ik blader in het boekwerk met toeristische informatie. Het hotel organiseert trips van allerlei soort in de diverse richtingen en heeft ook tips voor wie zijn eigen dagtocht wil samenstellen. Het regent hier wel vaker, want op de laatste bladzijde lees ik de volgende suggesties onder Wat te doen bij slecht weer?

1.    voor de dames: ga eens naar de kapper. Je doet er jezelf, je man en de plaatselijke coiffeuse een plezier mee.

2.    lees eens een boek.

3.    neem een paraplu en ga er toch op uit.

Iets aan toe te voegen?

 

Totaal 68 km

Gemiddeld 17,0

 

Uitgaven van deze dag:

Hotelkosten Bellavista Davos            € 80,50 (omgerekend, behoorlijk gepeperd!)

Maaltijd restaurant Schöl                 - 19,40 (omgerekend)

Sportdrank COOP Zernez                 -   3,40 (idem)

Maaltijd Hotel Alpina                            - 22,10 (idem)

 


woensdag 6 augustus

SANKTA MARIA – NATURNS

 

Vandaag naar Italië. Daartoe moet een helling met een simpel profiel overwonnen worden. Op mijn papiertje gaat van Sankta Maria naar de Pass Umbrail  een rechte streep omhoog. Maar wat let mij? Nu ik hier ben en alle tijd van de wereld heb om het reisdoel Verona te bereiken, kan ik van deze uitdaging alleen maar in feeststemming raken. En van wie moet ik dat karwei in één keer klaren? Van mijzelf niet. Ik denk terug aan de ervaring op de Col du Bonhomme verleden jaar, toen opzettelijke luiheid mij verder bracht dan ik voor mogelijk hield. Ik ga er een luie klim van maken. Met rustpauzes als die nodig blijken.

Vanmorgen op het antwoordapparaat van Cycletours ingesproken dat ik er in Verona zal zijn. Aan het ontbijt tref ik weer de zwijgzame man van gisteren. Ik ben al in wielertenue. Als we aan de praat raken en ik mijn plan van de dag uiteenzet, vertelt hij de klim te kennen en die vroeger wel eens met de fiets gedaan te hebben. Ik zeg dat ik het ga proberen en niet weet of en waar ik mezelf zal tegenkomen. “Du schaffst es” antwoordt hij bemoedigend en leidt dat af uit mijn gestalte die hij licht genoeg vindt.

In het winkeltje naast het hotel koop ik sportdrank en zo raak ik van bijna alle resterende Zwitserse francs verlost. Het is negen uur als ik aan de klim begin. Vroeg genoeg voor een aangename temperatuur, zeker omdat de eerste kilometers in beboste omgeving worden afgelegd. Maar de hitte laat niet lang op zich wachten.

Onderweg maak ik drie economische stops om te drinken en een minuutje of twee lijf en leden te strekken. Vanaf het begin kies ik meteen het verzet 30 x 23, forceer niet en blijf gelijkmatig draaien. Na ongeveer vierenhalve kilometer nodigt een bankje op een parkeerhaventje me voor de eerste keer uit. Net als ik zit, komt door de laatst genomen bocht een busje aangereden. Het blijken gasten uit Hotel Alpina te zijn die een uitstapje maken en mijn ontbijtmakker van daarstraks knikt me vriendelijk lachend toe. Verdorie nogantoe, waarom moet hij me uitgerekend in rusttoestand zien? Was ik nog maar even in het zadel gebleven, enzovoort, enzovoort.

Na precies vijf kilometer maakt het asfalt plaats voor gruis. Dit geeft aan de klimpartij cachet. Over dit soort wegdek hebben ronderenners uit heroïsche tijden gereden. Kwam na mijn eerste stop een treiterig busje aangereden, mijn volgende kon ik niet beter timen, want nauwelijks heb ik mij in een brede bocht langs de kant gevleid of uit de volgende bocht komt een motor naar beneden, zij het niet over de weg. De machine schuift van het onverharde wegdek over gras en rotsmassa heen en belandt een bocht lager, daar waar ik zoëven zelf nog reed.  Als ik naar zijn berijder toeloop om te kijken wat er mankeert, lijkt deze het hele voorval nogal ontspannen op te nemen. Nu komt een tweede motorrijder erbij, zijn vriend. Samen bekijken zij de fraaie rode machine en de schade lijkt hen wel mee te vallen. De eerste motorrijder legt nog uit dat dit voor motoren een riskant wegdek is en dat hij met remmen een inschattingsfout gemaakt heeft. Kan gebeuren, niks aan de hand. Heimelijk heb ik bewondering voor die mannen. Inmiddels heeft een fietser zich in dezelfde bocht omhooggewerkt en is alweer honderd meter verder. Dit heet oneigenlijk passeren. Ik wens de motorrijders veel succes en vervolg mijn weg. Aanvankelijk denk ik de fietser daarginds in te halen, maar na een paar kilometer blijkt dat hij toch net iets sneller rijdt. Wel haal ik een jongen in die op een iets te zware fiets rijdt. De laatste kilometers voor de top maakt de onverharde weg weer plaats voor asfalt. In een lange haarspeldbocht kijk ik al klimmend uit over het dal beneden mij. Het is een adembenemend mooi gezicht. Dat vindt ook een paar dat hier met auto op de vluchthaven staat. Ik stop om mijn eerste foto van de dag te nemen. Hierop biedt de man aan, als ik dat wil, om een foto van mij te maken met het dal op de achtergrond. Zo geschiedt. Een houten hek voorkomt dat ik de afgrond in duikel. De man en de vrouw zijn Duitsers. Ze maken deze tocht voor de tweede keer en de man herinnert zich deze bocht van hun vorige reis. Toen stond hij hier stil omdat door onweer en hevige regen verder rijden te gevaarlijk was. En hij ziet nog met afgrijzen voor zich hoe mannen op dunne bandjes hier voorbijkwamen en zich in diepte en duisternis stortten.

Even verder staat het er dan echt: Umbrail 2503 m.

Sono in Italia.

Op de teller staan 13 km 450 m. Daar heb ik een uur en 34 minuten voor nodig gehad. Het gemiddelde is er dan ook naar: maar 8,4 km/u.

Boven op de Pass Umbrail sta je op een weids plateau dat aan alle kanten door toppen omgeven wordt. Omdat je van hier geen blik in de diepte kunt werpen, heb je niet het gevoel ergens bovenop te staan, maar meer ergens tussenin. Even een herinnering tussendoor: in 1984 volgde ik als toeschouwer voor het eerst de Tour de France in de Alpen. Met mijn broer aan het stuur van de Citroën Dyane ging het toen onder meer over de Galibier. Op zeker moment durfde ik haast niet meer rechts naar buiten te kijken, omdat het landschap daar als het ware onder ons wegzakte. Je keek neer op lage bergtoppen beneden je en reed voor je gevoel de hemel in. Hier heb ik dat gevoel van een in de diepte verdwijnend landschap geen moment gehad. Omdat er geen lagere bergtoppen naast je te zien zijn denk ik, omdat het landschap met je meeklimt en de toppen altijd hoger liggen dan de weg die je beklimt.

Nu ik formeel in Italië ben, is dat toch geen moment om uitgebreid te vieren. Het zou voor het gevoel beter zijn als de resterende 3 km naar de top van de Stelvio ook nog Zwitsers waren geweest. Op de T-splitsing na de grensovergang gaat de weg rechts naar Bormio, links naar Prato. Ik sla dus linksaf over een merkwaardig fietspad met een hek erlangs. Nog geen honderd meter heb ik onder de wielen of ik val helemaal stil. Even heb ik een gevoel van uitputting. Alsof ik geen lucht meer heb. Ik leun tegen het hek en haal een paar keer diep adem tot het juiste gevoel weer terug is. Dan besluit ik om de boel de boel te laten, het is tenslotte de laatste echte klim, en naar 30 x 26 te schakelen, net zoals gisteren in de laatste kilometer van de Ofenpass. Vanuit Bormio komen meerdere fietsende mannen oprukken en verschillende gaan mij voorbij. Ik merk dat ik niet meer de concentratie opbreng om die laatste kilometers naar de Stelvio serieus te nemen, terwijl het nog altijd om gemiddeld 8,5 % gaat.

Tot de top heb ik nog 24 minuten nodig. De totale klimtijd komt daarmee op 1 uur 58 minuten. Totale klimafstand 16 km 860 m. Gemiddelde blijft 8,4.

 

De Stelviopas is een gruwelijke kermis vol lawaai en stank van worst en motoren. Mijn God, wat maken die worstverkopers een herrie. Ze schreeuwen boven alles uit en suggereren dat dit leuk en lokaal is. Niettemin, een broodje zou er wel ingaan. Ik neem een broodje met ham en lemon drink, koop kaarten en postzegels, zoek een tafeltje waar ik kan schrijven en laat het thuisfront weten dat ik het tot hier geschopt heb. Dan begeef ik me naar het absoluut hoogste punt waar ik in mijn leven ooit verbleven heb. In het kapelletje van Santa Maria della Neve - Maria is in alle streken troosteres van de bedroefden, of ze hun familie nou op zee of in een bergravijn verloren hebben – heerst weldadige stilte en ik besteed  mijn overgebleven Zwitserse francs aan een kaars uit dankbaarheid. Die dankbaarheid geldt bij voorbaat een behouden afdaling van de Stelvio. Eerst moet ik weer langs de worstverkopers. Een heeft op zijn uitstalkast een gummi speelgoedbadje staan, met nagemaakte schuimbellen en daarin zit een Tiroler zingend te baden. Het geheel beweegt op en neer en wordt van binnenuit verlicht. Een miserabele miniatuurversie van een Tiroler Efteling-attractie. Weg van hier. Maar eerst koop ik nog een Stelvio-vignetje als herinnering aan de klim. Welke zal ik kiezen? Een uitvoering met een wielrennertje vind ik niet zo mooi. Die andere maar. Als ik van vakantie thuis ben, merk ik pas dat het vignetje van de ski-club is. Nou ja.

 

De Stelvio afdalen. Wat een rotidee. De Stelvio oprijden, dat is iets. En dan bedoel je al die bochten die zo overbekend zijn van toeristische informatie. Niets aan te doen. De eerste kilometer daalt afgrijselijk hard en het wegdek bestaat hier uit aaneen gevoegde stenen stroken met naden en hobbels. Omdat snel afdalen hier uitgesloten is, je in de haarspeldbochten vrijwel stil komt te staan en naar de linkerweghelft moet uitwijken met goedvinden van de ook voorzichtige automobilisten, wordt een op het oog gevaarlijke helling van zijn gevaar ontdaan. Op zeker moment kom ik zelfs langdurig stil te staan, omdat wegwerkzaamheden een stoplicht noodzakelijk maken en dat heeft filevorming tot gevolg. Even daarvoor heb ik stilgestaan om een van de mooiste landschappen op deze reis te fotograferen.

 

De sneeuw en de gletschers van de Ortler Alpen zijn het waard vereeuwigd te worden. Ik denk aan het toneelstuk Hedda Gabler van Henrik Ibsen. Hedda en haar man zijn juist terug van hun huwelijksreis. In hun nieuwe huis worden zij opgezocht door Eilert, met wie Hedda vroeger een verhouding heeft gehad. Samen met hem bekijkt zij het fotoalbum van de reis en hard genoeg zodat haar man het kan horen, geeft zij uitleg: Ziet u dat bergmassief, meneer Løvborg? Dat is de Ortlergroep. Tesman heeft het er keurig onder geschreven. Daar: de Ortlergroep bij Meran. Uit de rest van de dialoog blijkt dat Eilert geen enkele belangstelling voor de bergen heeft, Hedda evenmin. Ik vraag mij af of Ibsen, toen hij zelf in Italië was, op deze plek is geweest.

Een hachelijk ogenblik beleef ik als na het gruwelijk mooie Trafoi de bochten sneller gaan lopen en ik iets teveel naar links kom te zitten, terwijl een auto frontaal nadert. Geleidelijk naar rechts uitwijken gaat niet, ik moet de zijdelingse beweging snel uitvoeren, dreig mijn balans te verliezen, maar Santa Maria della Neve grijpt op tijd in. Zij zal dat straks nog eens doen.

Intussen groeit mijn bewondering voor al die dapperen die in deze hitte aan de klim vanuit Prato begonnen zijn. Als ik zie hoe sommigen zwoegen, terwijl ik weet wat zij nog te verduren hebben, schaam ik me haast dat ik zo voorbijrijd. 

 

De afdaling eindigt na een kaarsrechte weg van 2 ½ km beneden in Spondinig. Daar wijst de teller 44km 490 m. De afdaling heeft dus ruim 27 km. geduurd. Ik lust wel een kopje koffie.

In het restaurant langs de S38 nuttig ik een cappuccino. Aan de overkant van de weg is een pelotonnetje cyclosportieven aan het opbreken. Fietsen worden op een vernuftig schuifladdersysteem bevestigd en zo naar het dak van een busje getransporteerd. Instappen en wegwezen. Als ik na de cappuccino op weg ga, zie ik ze 10 km verder weer allemaal langs de kant zitten, prinsheerlijk op terrasstoeltjes.

Mijn reisdoel vandaag is Meran of zoveel verder als ik kom. De weg is vlak, daalt hier en daar, aan de moeilijkheidsgraad zal het nu niet meer liggen. Maar ik zal Meran niet halen.

 

Plaatsjes langs de route noemen heeft geen zin, want ik rijd op de enige weg die mij door het dal van de Adige naar zuidelijker streken kan brengen. Alles in orde, niets aan de hand, tot Italië een leuke verrassing tevoorschijn tovert. Waar de verkeersweg zich vernauwt tot een tunnel – op mijn kaart uit 2001 is daar niets van te zien – staat een verbodsbord voor fietsers. Heel begrijpelijk, maar waar is de omleiding? Niet te zien. Links en rechts verheft zich het talud. Ik hijs me met mijn fiets omhoog en inspecteer een mogelijke om- of overweg. Geen kans. Een omheind industrieterrein laat geen enkele ruimte. Ik kies de enige weg die overblijft, door de tunnel. Voetje voor voetje, telkens als auto’s naderen mijn fiets op de uiterst smalle looprichel trekkend. Hoop dat de carabinieri niet langskomen, want dan ben ik er gloeiend bij. De tunnel is niet al te lang en ik vervolg gerust mijn weg. Rij door Latsch en Tschars. Waar precies de tweede tunnel van de dag ligt, heb ik niet meer op mijn netvlies. Wel constateer ik op het moment zelf dat hier geen fietsverbod geldt en even later dat die constatering een illusie is. Het rijden in de tunnel is levensgevaarlijk. Tussen het asfalt en de hoger gelegen looprichel bevindt zich een betonnen strook van ca. 20 centimeter, die aan de asfaltkant met om en om liggende uitspringende klinkertjes is afgezet en die naar rechts uitloopt in een afwateringsgoot die onder de looprichel verdwijnt. Deze tunnel is lang, zeker een kilometer, en maakt een brede bocht naar rechts. In de verte achter mij hoor ik zwaar motorgeronk van vrachtwagens. Er staat mij maar één ding te doen: zo hard mogelijk doorfietsen, niet alleen om uit de tunnel te raken, maar ook om een zo recht mogelijke lijn te houden. Als ik hier in de zuiging van zo’n zware camion kom, kan ik me op het ergste voorbereiden; en ik moet er niet aan denken dat ik met mijn wiel de steentjes links raak en in de afwateringsgoot kom. Dan klapt mijn fiets naar links en word ik subiet overreden. De angst voor naderend gevaar werkt gelukkig niet verlammend. Mijn computer heeft geen functie voor de maximumsnelheid, maar hier heb ik harder gereden dan in welke afdaling ook. Het einde van de tunnel nadert, pas in de buitenlucht gaan de eerste vrachtwagens voorbij en ik hervind mijn gewone hartslag. De zegen van Santa Maria della Neve is van grote hoogte op mij neergedaald.

 

Als bij de entree van Naturns opnieuw een verkeerstunnel opduikt, houd ik het voor gezien. Is het denkbaar dat de hele route voor fietsers verboden was, vanaf het eerste verbodsbord? Ik kan me dat niet voorstellen. Hoe dan ook, de manier van voortbewegen in het voorbije uur valt niet onder de categorie onbekommerd fietsplezier. Een rustpauze in Naturns zal me goed doen, want na ruim vier uur op de fiets is het nog te vroeg om hier te stoppen. Eerst wil ik naar het postkantoor voor een telefoonkaart. Mijn gsm functioneert niet meer sinds ik in Italië ben; T-Mobile toont nare icoontjes. Een Duitse toeriste wijst me erop dat ik ook terecht kan even verderop bij het VVV-kantoor. De sfeer hier in Naturns is vrolijk en ontspannen, ik word buitengewoon vriendelijk te woord gestaan en dan besluit ik ineens dat ik vandaag niet verder wil. Waarom zou ik niet lekker genieten van een aangename plaats in dit Duits sprekende deel van Italië? Want eerlijk is eerlijk, echt in Italië ben je hier natuurlijk niet en ik ben benieuwd hoe ik die overgang morgen of overmorgen zal ervaren.

 

Uit de ADFC-gids, die ook een paar Italiaanse adressen vermeldt, herinner ik me dat Naturns een fietsersvriendelijk hotel heeft. De naam weet ik niet meer, maar later blijkt dat het Hotel Weingarten, waarvoor de charmante VVV-employee de boeking verzorgt, inderdaad bedoeld werd.

Mijn uitgaanskledij heeft inmiddels ook een wasbeurt nodig. Gelukkig is het zo warm dat alles vlug droogt, desnoods aan het lijf.

 

INTERMEZZO MET EEN OPMAAT

Op een drukbeklant terras van een pizzeria doe ik mij later tegoed aan een pizza verde con verde met tomatensalade, groot glas bier erbij. IJs na. Een Duits echtpaar met drie kinderen, waaronder een neefje blijkt later, schuift aan. Er ontwikkelt zich een alleraangenaamst gesprek over van alles en nog wat. De Duitser is zeer in wielrennen geïnteresseerd. We praten over Jan Ullrich en Lance Armstrong.

Als hij ook op de hoogte blijkt van de klassiekers en opmerkt dat Vinokourov de laatste Amstel Gold Race kon winnen omdat Boogerd geen bewegingsruimte van de Amerikaan kreeg, leg ik hem haarfijn uit hoe dat zat, blij voor één keer als deskundige aangehoord te worden. Vertel hem dat Armstrong weet hoe de wielersport in elkaar zit en zich nergens over mag beklagen. Dat zijn sprintnederlaag destijds tegen Dekker volkomen reglementair was in een wedstrijd waarin zij samen sterk waren. En zeker, Boogerd won de sprint na kilometers lang in het wiel gezeten te hebben, maar hij kon en mocht niet anders. Rabobank had die dag de wedstrijd gedomineerd en had tenslotte twee renners in de kopgroep van vier, Markus Zberg en Boogerd. Door een foute manoeuvre van een motorrijder kwamen Zberg en de vierde man bij het oprijden van de St. Pietersberg te vallen. Boogerd was er op dat moment alles aan gelegen om Zberg weer snel te laten aansluiten, om in de finale de meerderheid uit te kunnen buiten. Armstrong daarentegen zag hier juist de kans om zich van het snelle lastpak Zberg te ontdoen en de Rabomacht te halveren, maar hoe kon hij ook maar een moment denken dat Boogerd hieraan wilde meewerken? Door zelf alles uit de kast te rijden zal zijn gedachte zijn geweest, zadel ik Boogerd met een moreel dilemma op omdat een onsportieve overwinning niet bij diens imago past. Maar de Texaan had natuurlijk beter moeten weten. Boogerd was het aan zijn team verplicht om te winnen. Dat Armstrong dit voorjaar Boogerd bewust in de wielen reed ten koste van eigen overwinningskansen heeft hem zelf geen goed gedaan. De massale goodwill die hij door schitterend rijden in voorgaande edities bij het Limburgs wielerpubliek had opgebouwd, heeft hij verkwanseld, een kampioen onwaardig. Einde intermezzo.

 

Mijn Duitse toehoorder, zich al enige tijd afvragend hoe hij mijn “Zungenschlag” moest interpreteren, is het nu wel duidelijk dat ik uit Nederland kom. En onmiddellijk schakelt hij over op Harry Mulisch, die hij op tv gezien heeft en of die man echt zo arrogant is? Hij heeft de Ontdekking van de Hemel gelezen en hij vindt het maar een afstandelijke constructie, als ik hem goed begrijp. Helaas voor het gesprek ken ik dat boek niet. Zijn favoriet is Cees Nooteboom. Dat verrast me niet, want in vroegere contacten met Duitsers over het literaire leven in Nederland bleek die voorkeur al. Wat hebben die Duitsers toch met Nooteboom? Een gezamenlijke waardering is er nu wel, want Rituelen vinden we allebei een indrukwekkende roman. En zoals veel andere Nederlanders weet ik vaag nog iets over ene Philip en de anderen, maar dan houdt het ook op.

De eenzame momenten tijdens een lange fietsvakantie hebben beslist hun bekoring, maar een avond gezellig aan de praat raken is als afwisseling ook niet gek.

Als ik het bed opzoek, is het 28° C. In Davos en Sankta Maria was de nachtlucht aangenaam koel, hier in het brede dal is dat verleden tijd.

 

Totaal 79 km

Gemiddeld 18,6

 

Uitgaven op deze dag:

Hotelkosten Hotel Alpina          € 40,80 (omgerekend)

Sportdrank                        -   3,30 (omgerekend)

Lunch op de Stelvio               -   5,50

Ansichtkaarten en postzegels     -   9,- 

Kaars in kapel                           -   2,50 (geschat)

Cappuccino in Spondinig           -   2,-

Telefoonkaart                            -   5,-

Maaltijd pizzeria Naturns          - 15,70

 


donderdag 7 augustus

NATURNS -  VILLA LAGARINA

 

Vandaag is mijn moeder jarig.

Als ik haar straks bel, ben ik een eind op weg in Italië. Gek idee.

Het is warm vandaag, de hitte begint me uit te putten. Mijn lippen doen zeer. Fungeert die Labello wel als bescherming? Ik krijg de indruk dat mijn lippen in de boter gebraad worden.

De ochtend na vertrek breng ik weer eens ongelooflijk klungelend door.

 

Gisteren kreeg ik bij de VVV de raad om het Adige-fietspad te nemen. Niet alleen vanwege de ervaring met tunnels leek me dat een aantrekkelijk idee. Inderdaad vind ik het Adige-fietspad. Voor mijn vertrek uit Nederland heb ik er iets over gelezen, maar omdat de beschrijving nogal vaak naar bezienswaardigheden verwees, besteedde ik er niet veel aandacht aan. Laat ik hier alvast de lof zingen van dit geweldige pad. Vandaag en de komende dag voel ik mij waarlijk te gast in een prachtig land. Wel moet af en toe concentratie opgebracht worden om na een tijdelijke onderbreking het pad terug te vinden, maar dan vind je ook wat: een trouwe vriend die je niet in de steek laat en die je meevoert langs een machtig mooie rivier. Deze dagen verlies ik mijn hart aan de Adige. En aan weerskanten begrenzen de uitlopers van Alpen en Dolomieten een steeds breder wordend dal. Waarom vond ik Zwitserland soms saai? Ik denk omdat de dalen smal zijn en de groene toppen om je heen een gevoel van opgeslotenheid wekken. Hier in het dal van de Adige kun je ver om je heen kijken en hebben de hellingen een gevarieerder begroeïing. Dorpjes liggen er tussen moestuinen en wijnstruiken tegenaan gevleid.

Maar terug naar het geklungel.

Vanuit Naturns gaat het fietspad door Plaus richting Meran, maar houdt dan plotseling op. Mijn gevoel zegt me dat als het pad hier ophoudt, het elders weer begint en dat alles vanzelf gaat als ik de Adige maar blijf volgen. Langs de autostrada volg ik de rivier nu over een voetpad van scherpe steenslag. Als het pad weerbarstiger en de kans op lek rijden te groot wordt, stap ik af, loop een eind en kom in struikgewas terecht. Nee, dit is toch niet de manier om een fietsroute op te zoeken. Ik wacht een goed moment af om over de vangrails van de autostrada te klimmen, en verlaat deze plek ijlings via een vluchtpoortje in de geluidswal. Ik kom in een soortement woonwagenkamp terecht en vandaar in de buitenwijken van Meran. Bij een overweg moet ik wachten op een lokaal treintje en ik durf hier de bewering aan dat je in de Europese Unie lang moet zoeken voor je een overweg tegenkomt waar de bomen zo vroeg dichtgaan. Als ik in Meran, een levendige stad, na enig zoeken en vragen de juiste rijrichting heb gevonden, volg ik de provinciale weg tot Bozen. Inmiddels ben ik door schade en schande wijzer geworden omtrent de Italiaanse bewijzering. Plaatsnamen op wegwijzers worden enkel genoemd in verband met de autostrada. Alternatieve routes krijgen geen aanduiding. Ik moet dus op mijn kaart en niet op de wegwijzers vertrouwen, want die dwongen mij een paar keer tot omkeren. De weg voert door Sinnich, Burgstall, Gargazon, Vilpian en Terlan. Vlak voor Bozen moet ik bij een rotonde goed uitkijken om de juiste weg te kiezen. Omdat alle plaatsnamen in twee talen aangeduid worden, beperk ik mij tot de Duitse, maar bij deze rotonde maak ik graag een uitzondering voor Siebeneich dat Settequerce heet. Weer een Italiaans woordje erbij geleerd. En natuurlijk maakte ik al uitzonderingen op de regel, want over het Stilfserjoch praat ik liever niet en om de Adige plompverloren Etsch te noemen, gaat mij ook te ver.

 

In Bozen met een nog levendiger, maar minder fraaie binnenstad dan Meran, sla ik op goed geluk wat straten in en kom bij een druk stadsfietspad waarvan ik denk dat het mij richting Trente brengt. Dat is misgegokt. Ik moet terug en goed geïnstrueerd kom ik nu wel op het Adigefietspad uit.

Het wordt langzaamaan peddelen, want de hitte slaat verder toe. Iets eten maar. Bij het plaatsje Auer verlaat ik het fietspad. Het is middag en alles is dicht. Dan maar iets kopen in een groentezaak, een bakkerszaak? Zaken genoeg, maar ik kan er niets kopen. Ik ga niet terug, maar rij door Auer en zal het fietspad verderop wel weer tegenkomen. Aan de rand van Auer vind ik gelukkig een restaurant dat open is. Ik neem een uitgebreide salade met een ananastiramisù. Heerlijk. Een erg hete kop thee erna.

In de buurt van Salorno moet ik naar de wc en net op tijd ligt opzij van het fietspad een Biker’s Café. Daar trakteer ik mezelf op een grote koele cola. Nooit gedacht dat die drank me een keer zo goed zou smaken. Met deze ondraaglijk warme temperatuur moet gedronken worden. Als ik uit het Biker’s Café kom, een modern ingerichte salon met historische fietsrelikwieën, blijkt dat een gedenkwaardige gebeurtenis: ik ben door mijn kaarten heen.

 

Salorno, op de kaart nog net Salurn genoemd, is de laatste plaats op kaart 218. Het gekopieerde stukje van de Kompasskaart zou mij tot halverwege het Gardameer nu van dienst moeten zijn, maar er is niet meer van over dan een plakkerig, gerafeld en onleesbaar vodje papier. Vanaf hier moet ik mijn route zonder kaarthulp bepalen. Moeilijk is dat voorlopig niet. Rechtdoor, de Adige stroomafwaarts volgen.

Van wind had ik de voorbije dagen weinig last, maar nu begint die ineens op te steken. Vlak voor Trente zelfs stormachtig. Ik rij op sommige vlakke stukken niet harder dan 18km/u. Gaat het weer omslaan? Het fietspad nadert nu een bergrug en maakt een grote bocht naar links. Plotseling is de zon verdwenen en ik denk dat dit de aankondiging van hevig onweer is. Mede door de harde tegenwind lijkt het of Trente maar niet naderbij wil komen. Hoeveel km werden daarstraks aangegeven en ik ben er nog niet? Rij ik wel goed? Het fietspad heeft daarstraks een wel erg grillige bocht naar links genomen. Dit gaat niet goed. Een eenzame wandelaar met hond vraag ik om uitsluitsel. Volgens hem zit ik goed wat Trente betreft. Dit pad volgen tot een houten brug en dan kom ik vanzelf dáár uit en hij wijst in tegenovergestelde richting. Is hij gek of hoe heb ik het? Ik volg zijn aanwijzingen maar op en ineens herinner ik me iets gelezen te hebben over een eigenaardigheid van dit fietspad, hoe je ergens gedwongen werd om 4 km om te rijden en op nagenoeg hetzelfde punt weer uit te komen. Nou, dat klopt aardig. Had ik die passage maar beter bestudeerd! De reden hangt waarschijnlijk samen met de regionale hydrocultuur en het vermoeden dat de toerist daar bijzonder in geïnteresseerd is en er graag een omweg voor over heeft. De pot op.

Eindelijk, daar ligt Trente. Het onweer is uitgebleven. Ik vind het voor vandaag weer goed geweest. Morgen nog een hele dag om in Verona te komen en Trente, de conciliestad, is natuurlijk een bezoek waard. Het loopt anders.

Op de een of andere wijze betoont de stad zich niet erg toegankelijk. Brede wegen en oplopende rotondes aan de rand van de stad, plekken waar ik de fiets aan de hand moet nemen. Op andere plaatsen is het fietspad opgebroken. Ik ben nu in het Italiaans sprekende deel van Trentino terechtgekomen en het moet me niet te moeilijk worden gemaakt! Ik volg de pijl die me naar i Turismo belooft te brengen, maar ik word de stad uitgeleid, krijg en passant het krakkemikkige stadionnetje van FC Trento te zien. Echt zo’n stadionnetje om in de Intertoto-competitie onderuit te gaan. FC Trente – FC Zwolle 1-0 na verlenging. Ik heb geen zin meer in de stad. Ik zal een leuk dorpshotelletje opzoeken. Ginds tegen de hellingen liggen grappige plaatsjes. De weg die me langs en uit Trente brengt gaat onder een viaduct door en vandaar verder als autoweg. Verboden voor fietsers. Alweer. En denk niet dat de fietser een alternatief wordt geboden! Als je hier niet bekend bent, word je voor verrassingen geplaatst die wij in Nederland mensen niet plegen aan te doen. Daar zouden we borden plaatsen met teksten als: na 2 km einde weg voor fietsers. Terug maar weer. Dan merk ik dat op een hooggelegen stuk naast de straatweg gefietst wordt! Hoewel het hier niet mag, beklim ik de dijk.. en ben op het Adigefietspad! De rivier ligt hier hoog ten opzichte van de stad.

 

Bij het plaatsje op de helling verlaat ik het fietspad. Ravina heet het hier. Er moet weer geklommen worden. Steile hellingen door de dorpskern. Op zoek naar een hotel ben ik even de richting kwijt. Waar is die kerk gebleven waarvan ik daarnet de toren nog zag? In een achterafstraatje vraag ik het een paar vrouwen. Leuke oefening Italiaans voor beginners. Wat zij gedacht hebben toen ik naar de kerk vroeg? Waarschijnlijk dat deze man vol zonden was, die op dit late uur nog een priester zocht om hem te vergeven. In het centrumpje van Ravina schat ik de mogelijkheid van logies in en huiver. Wegwezen. Ik moet trouwens mijn moeder nog bellen.

Naar beneden. Naar het volgende dorpje. Romagnana. In mijn beste Italiaans vraag ik naar de mogelijkheden om overnachting met ontbijt te genieten. Hier niet, maar in de plaats hierna vast wel. In Mattarello krijg ik het advies om hier niet te zoeken, maar het in Nomi of Villa Lagarina te proberen. Het wordt al wat donker en ik had in Trente de reis willen beëindigen. Ik zit er doorheen, heb al een tijdje geen water meer. En is hier nou nergens een telefooncel? Jongejonge, wat een gejammer, want zeg nou eerlijk, heeft het me tijdens deze vakantie ergens aan ontbroken? Heb ik ontbering geleden? Nee, en ook nu niet, want in het alleraardigste dorpje Aldeno ontwaar ik een supermercato. Ik koop er een fles Gatorade en een tros overrijpe bananen. En telefoneren kan ik er ook. Hartelijk gefeliciteerd, mama, en nog vele jaren. Maar een hotel moet ik hier niet verwachten. Dat zegt een Italiaanse dame. Nomi valt te proberen, maar ik moet er niet op rekenen. Ik zal waarschijnlijk slagen in Villa Lagarina. Als ik die lange naam in haar bijzijn herhaal, krijg ik Italiaanse spraakles. Zij toont me haar fraaie gebit en articuleert wellustig Vil-la La-ga-ri-na. Met volle lange klinkers. Ik schat haar veertig jaar oud. Een Italiaanse zoals je haar van de film kent, fier, welluidend, sensueel en met die mengeling van charme en grofheid die bij de matrone uit een volksdrama past.

Ik rij door Nomi en kom in Villa Lagarina. En zoek een hotel. Hier niet, wordt me in het centrum duidelijk gemaakt, maar daar beneden. Ik verlaat de bebouwde kom, rij onder een viaduct door en dan ligt daar aan de overkant de Albergo da Ponto.

 

Het is nu tien over acht ’s avonds. En wacht aan tafel op de maaltijd.

Alles in het Italiaans afdoen was natuurlijk niet aan de orde, maar de hotelbaas is hier de enige die redelijk Duits praat. Om mijn fiets veilig te kunnen stallen, moest eerst de hond aan de ketting worden gelegd. Een kamer kost hier € 42 en met ontbijt € 5 extra. Voor een gat als Villa Lagarina vind ik dat pittig. Mijn carta di credita wordt hier niet geaccepteerd. De dienstertjes in de eetzaal, stom achteraf om geen restaurant in het plaatsje zelf op te zoeken, lijken er door de temperatuur doorheen te zitten en vinden het knap lastig om mij uitleg over de kaart te moeten geven. En ik ben te moe om me geconcentreerd te uiten. Ik wijs dingen aan op de kaart in de hoop dat het me zal voeden. Als ik vraag wat crauti precies zijn, roept dienstertje 1 de hulp van dienstertje 2 in. Mijn God, wat een eikel, weet niet wat crauti zijn. De jongste kijkt mij giftig aan en heeft besloten dat er met mij niets te beginnen valt.

Het Franziskaner Weizenbier smaakt in elk geval. En de tagliatelle is niet bijzonder, maar gaat erin. Pats, daar wordt zonder commentaar een bord voor me neergezet met gebraden rosbief, zonder saus of iets anders erbij. Een schaaltje krulsla ernaast. Bij het weggaan neemt zij mijn mes weg. Automatisme? Ook goed, ik open van een kast de besteklade en haal er een mes uit. Eindigt hier Trentino en begint hier het echte Italië? Dit is de eerste riposo waar ik me helemaal niet thuis voel. Wat een mistroostige tent is dit hier. Als ik om me heen kijk zie ik enkel somber ogende mannen, in groepjes van twee of drie, sommigen alleen. Natuurlijk, dit is zo vlak bij die grote verkeersweg een vrachtrijdershotelletje.

 

Na dit weinig assertieve eetgedrag ga ik maar eens de benen strekken. In Villa Lagarina eet ik een ijsje. Er is weinig avondlijk volk. Op een stil pleintje krijg ik toch nog een late beloning voor het zwoegen op deze dag. Ik neem er plaats op een prachtig geconserveerd stenen wasbekken. Ik denk dat dit uit de 18de eeuw stamt. Het bekken is verdeeld in compartimenten, waardoor het water van boven naar beneden kan lopen en met af te stoppen doorgangen. In de rand zijn royale zeepbakjes aangebracht. Het geheel heeft een ivoren tint en ik stel me voor hoe volksvrouwen hier vroeger de was deden, nieuwtjes uitwisselden, over hun mannen roddelden en dat rond zulke wasbekkens de volkse stukken van Goldoni zijn ontstaan.

Nieuws wordt nu uitgewisseld, althans verkondigd, door gebruik te maken van de publieke aanplakborden. Ik lees een vlammend betoog van een plaatselijk ingezetene tegen het zogenaamde Cattocommunismo. Ondanks gebrekkige kennis van de taal wordt mij wel duidelijk dat schrijver een hekel heeft aan die geëngageerde katholieken die zeggen op te komen voor de armen en misdeelden op deze aarde, maar wier argumentatie ten nadele van de rijken slechts hun communistische sympathieën verraadt en ook dat de voorvechters van dit communisme in katholieke vermomming onder kerkelijke ambtsdragers ten noorden van Trente gezocht moeten worden. Trentino, pas op uw zaak is de boodschap.

Een andere kerkelijke hoogwaardigheidsbekleder kijkt via enorme billboards op me neer. De 350-jarige sterfdag van Paris Lodron wordt dit jaar grootscheeps herdacht. Als ik terug ben in de Albergo lees ik in folders over zijn persoon, een kanunnik, later aartsbisschop met grote verdiensten voor de streek. Geloof ik. Ik mijd nog elke dag elk overtollig gewicht in mijn rugzak, neem dus geen folder over Paris Lodron mee naar huis.  Het 0,4 l. glas bier dat ik in de hotelbar nog nuttig, kost € 3,20. Wat een afzetterij.

 

Totaal 137 km

Gemiddeld 21,4

 

De uitgaven van deze dag:

Hotelkosten Hotel Weingarten           € 38,50

Lunch in Auer                                   -  11,-

Cola in Biker’s Café                      -   1,60

Drank en bananen in Aldeno             -   3,40

IJsje in Villa Lagarina                    -   1,60

Glas bier in Albergo da Ponte            -   3,20

 


vrijdag 8 augustus

VILLA LAGARINA – VERONA

 

Op eenderde slaappil de nacht uitstekend doorgebracht. Helemaal zonder gaat het nog steeds niet en binnen in mij sluimert een permanente behoefte aan diepe slaap.

Meteen na het ontbijt al snel de pista ciclabile gevonden. Er staat geen wind en het is prachtig rijden door de wijngaarden. De wijndruiven groeien niet alleen tegen  de hellingen, maar ook in de vlakke vallei. Langs het fietspad kan ik onder de druiventrossen doorkijken, want zij hangen over een dubbele rij horizontale hekwerken, die op palen rusten, en als ik mijn hand uitstrek kan ik de buitenste trossen aanraken. Voorbij de vlakke wijngaarden stroomt als steeds de vertrouwenwekkende Adige. En ik verlang heftig naar het ogenblik waarop de uitlopers van de bergen definitief achter me liggen en een brede horizon zichtbaar wordt, Italië zich als het ware voor me opent.

Vanochtend bij het vertrek merkte ik dat Rovereto ontzettend dichtbij ligt. Wat jammer toch, dat ik in die stad gisteravond niet ben geraakt. Rovereto is een eerbiedwaardige naam, maar om al zo snel na vertrek de reis te onderbreken voor stadsbezoek, geeft geen aangenaam gevoel. Anderzijds, als de signora mij gisteren had aanbevolen om een hotel in Rovereto te zoeken, had mij dat mogelijk als een station te ver geklonken en zou ik de eerste de beste gelegenheid om af te stappen hebben aangegrepen. In Villa Lagarina. De dingen gaan zoals ze gaan. Vandaag ook. Ik heb geen kaart meer bij de hand om te verifiëren waar ik exact geweest ben. Langs Ala en Avio gaat de route. Bij San Borghetto eindigt het fietspad en ik rijd verder naar Verona over de provinciale weg. De zon schijnt zo ongenadig, dat ik bij de afslag naar Osmenigo, dacht dat het zo heette, de weg verlaat om in het dorpje iets meer in de schaduw te kunnen fietsen.

In Chiusa neem ik op een beschaduwd terras langs de weg een cappuccino en eet er een peer en een warm perzikentaartje.

En wat is water een godsgeschenk!

Hotel Goethe lees ik ergens links van de weg. Hier wordt dus een slaatje geslagen uit vroegere aanwezigheid. Kun je je afvragen, want het hotel ziet er desolaat uit. In elk geval komt Verona nu snel naderbij. Van die horizon is niet veel terechtgekomen. De laatste kilometers zijn teleurstellend. Zodra de laatste uitlopers van het bergachtige gebied achter mij liggen, wordt de vlakte onmiddellijk door lelijke industriële bebouwing in beslag genomen. Veel chemische industrie in dit gebied. Dat was ook gisteren al aan het vrachtverkeer te merken, waar dat op mijn weg kwam.

 

Verona

De stad is gestoofd en ik ook. Via een lange rechte weg kom ik in een oude wijk terecht. Rechts ligt de Adige. Even verder beginnen de bruggen. En verkeerslichten die te lang op rood blijven staan, want alle bewegingen die ik vanaf nu met mijn fiets uitvoer, zijn gericht op vermindering van lijden. Het blootgesteld zijn aan de zon is een kwelling. De stad bestaat enkel nog uit schaduw en zonbeschenen plekken en het is de kunst de laatste zoveel mogelijk te vermijden, of, dat is nog de beste remedie tegen de hitte, zo gelijkmatig mogelijk te blijven fietsen.

Als ik het oude en meest toeristische deel van de stad bereik, zoek ik eerst de VVV op, om me pas na gedane rituelen aan de stad van aankomst over te geven.

Zo kom ik op de Piazza Brà met zijn beroemde arena. In een arcade rond het plein moedigt een inwoner de mensen aan om toch vooral de schaduw op te zoeken. Doe als wij, Italianen, kom in de schaduw, herhaalt hij met een ondertoon die voor te actieve toeristen is bedoeld. Als hij mij ziet, voegt hij daar waarderend het woord Pinarello aan toe. Bedoelt hij dat ik die een Pinarello berijd, toch beter moet weten?

Hier op de Piazza Brà haal ik de computer definitief van het stuur. De reis zit er formeel op. Nu volgen enkel nog wat lummelkilometers. Teveel lummelkilometers. Het begint ermee dat ik de VVV niet kan vinden. Iedereen die ik ernaar vraag, weet dat het uiterst dichtbij is, eigenlijk zowat voor mijn neus, maar welke aangegeven richting ik ook volg, ik vind het kantoor niet. Tot ik mijn oog opnieuw op dat kleine deurtje in een lange muur tegenover de arena richt. Dat deurtje zier eruit als een dienstingang van gemeentewerken, maar hier moet ik dus zijn. Verona en toerisme-industrie, dat had ik me grootser voorgesteld, maar kan het waarderen dat hier niet schreeuwerig wordt uitgepakt.

Net zoals in Davos en Naturns word ik ook hier door de baliemedewerkers vriendelijk geholpen, krijg een plattegrond van de stad en een lijst met hotels en begeef me naar het adres dat mij geadviseerd werd. Als ik het goed begrijp gaat het om studentenappartementen in een universiteitsgebouw, die ’s zomers aan toeristen verhuurd worden. Als ik het gebouw gevonden heb, een stukje buiten het centrum, probeer ik een aantal bellen en deurknoppen, maar zonder resultaat. Ik rij terug naar de stad, kom in de drukke Via Amanti en neem er even het gemak van met een dure maar overheerlijke dorstlessende limoenensorbet. Bekijk ondertussen het hotelaanbod en besluit een gok te wagen in de Albergho Arena. Die ligt in de Stradone Porta Palio nummer 2. De stradone is lang en ik fiets naar het voor mij hopelijk goede uiteinde. Een kleine complicatie: de situatie op de plattegrond laat zich in werkelijkheid niet makkelijk reconstrueren. Met andere woorden: ik zoek me suf, rij veel te ver buiten het centrum, oriënteer me opnieuw, kom er niet uit, het belachelijke soort situatie als je brein niet meer helder functioneert. Redding komt dan van stom toeval, een blik die je leert dat dit toch Porta Palio heet en vervolgens volg je de hoge nummering tot je bij 2 uitkomt, dat wil zeggen zo goed als in het centrum.

Nummer twee bestaat uit een poortje dat ik onderdoor ga, waarna ik een binnenpleintje oversteek en aanbel bij de Albergho. Ik word te woord gestaan door een kleine signore op leeftijd, van wie ik veel moet invullen, onder meer de stichting of vereniging waar ik voor werk. Als mij dat bevreemdt, maakt hij duidelijk dat het niet uitmaakt wat, als ik maar wat invul. Zijn Albergho wordt kennelijk vanwege een ideëel uitgangspunt door subsidies of kerkelijke fondsen in stand gehouden. Dat verklaart de niet al te hoge prijs die ik moet betalen. Mijn identiteitskaart heeft hij nog even nodig voor de inschrijving. Ik krijg een kamer met douche en ik heb weer eens geluk gehad, want als ik een paar uur later de stad inga, lees ik op de voordeur “completa”.

 

Het dagelijke ritueel is hetzelfde en toch anders.

Mijn keurig gewassen wielerkleren gaan de volgende dag schoon opgevouwen de rugzak in. Zij hebben hun diensten bewezen. Als mijn eigen lijf aan de beurt is geweest, verlangt dat op dit uur enkel naar rust. Een moment ben ik bang dat ik hier in slaap zal vallen – ik kwam om 16 uur hier binnen en inmiddels zijn we een uur verder – om pas morgenvroeg hongerig wakker te worden. Nadat ik even op bed heb gelegen, verhuis ik naar de vloer; naakt op de terrazzovloer wordt het me ook daar na een tijdje te warm. Waar is ergens verkoeling te vinden? In elk geval bij de kraan. Minutenlang laaf ik mij voorzichtig aan het sijpelende water. Wat is Monschau lang geleden.

En wat een vreemd idee is het om een fietstocht achter de rug te hebben, weten dat je je trouwe reisgezel hoogstens nog morgen aanraakt om ermee naar de vertrekplaats van de bus te rijden, in je gewone kleren.

 

Bij de conciërge vraag ik mijn identiteitskaart terug. Hij bekijkt me. Het is niet meer dezelfde man van daarnet. Wel klein en oud. Zou dit huis door enkel oude mannetjes bestierd worden? Ik krijg de kaart pas als ik de kamer betaald heb. Is dit de Italiaanse manier? Ik betaal en ga Verona in. Zonder fiets. Eerst naar de tobaccaio om een nieuwe telefoonkaart te kopen. Dat mijn gsm het hier niet doet, is waarschijnlijk een financiële meevaller. Naar huis telefoneren vanuit een makkelijk bereikbare cel is heel wat goedkoper. Daar staat een financiële tegenvaller tegenover. Bij de geldautomaat van Bancomat Italia pin ik € 100.

Met dien verstande dat op mijn transactiebon dit bedrag vermeld wordt, terwijl er maar één biljet van € 50 uit de geldschuif is gekomen. Wat nu? De bank is gesloten. Bij problemen, klachten enzovoort staat ergens te lezen, kan gratis een numero verde gebeld worden. In de telefooncel probeer ik vergeefs dit nummer te draaien. Ik doe iets fout of begrijp iets niet en vraag hulp. Aan een voorbijganger die mij om mijn slechte Italiaans weghoont en geen bereidheid toont om Engels te spreken. Aan de eigenaar van de tobaccaio waar ik zojuist nog in prachtig Italiaans, vond ik zelf, een telefoonkaart gekocht heb. Hij moet weg en weet ook niet hoe die nummers functioneren. “Non lo so”.

Een donkere jongen, allochtoon met vreemde uitspraak, vraagt of hij me kan helpen. Hoe zou je op dit moment contact met een bank kunnen maken die in het weekend gesloten is?  Hij gaat even weg, komt terug met de informatie dat de bank op zaterdagmorgen wel geopend is. Ik bedank hem, maar ben toch niet opgemonterd door deze tweede vorm van diefstal. Ik moet nu oppassen om, gevoed door dit verlies in combinatie met de extreme temperatuur, geen onterechte aversies te ontwikkelen. Ik heb een fantastische reis achter de rug en ben nu in een stad die als een droom is.

Na een wandeling onder oude Romeinse poorten en langs het Castelvecchio, waar ik de Adige als een teruggevonden vriend begroet, nestel ik mij lange tijd op een terras aan de Piazza Erbe. Hier zink ik weg in de zoetige warmte van Verona, laat het plein, de huizen, de mensen op me inwerken, geniet van al die flanerende toeristen die aan dit verblijf een exotische tint geven. Het terras behoort niet toe aan een restaurant of eetcafé en ik laat het maar zo, hoef niet uitgebreid te eten. Een tosti is genoeg en onder de wandeling naar huis koop ik in een cafetaria een crevette met chocolade. De twee grote glazen bier hebben me in een lichte roes gebracht, waarin ik mijmer over alles en niets.

Als ik weken na deze vakantie een krantenfoto zie waarop bondkanselier Schröder te zien is in Verona, omdat er iets rechtgezet moest worden in de Duits-Italiaanse betrekkingen, zie ik op het glas dat hij met een Italiaanse minister heft het woord FORST staan. Hetzelfde merk dat op de Piazza Erbe geschonken werd.

 

Zal ik de slaap vatten nu de reis er op zit?

In bed voorlopig niet. Lang, heel lang, blijf ik op de stenen vloer liggen. En dan zal ik weten dat dit Italië is. Ver na middernacht breekt op het binnenpleintje voor mijn raam een concert uit waarin een voortdurend opnieuw startende motor, het slaan van deuren, het neerploffen van gewichten en het gemopper van een man de ritmische orkestratie vormen voor de onbetwiste primadonna, een kijvend wijf dat boven alle lawaai uit als een helleveeg uit de commedia dell’arte haar commentaar schreeuwt. De mooie, lange uithalen vergoeden het gemis aan slaap.

 

Totaal 75 km

Gemiddeld 22,9

 

De uitgaven van de dag:

Hotelrekening Albergo da Ponto          € 63,-

Cappuccino met taart in Chiusa          -   3,30

Limoenensorbet in Via Amanti           -   6,-

Hotelrekening Albergho Arena            -  40,- (weet niet meer precies)

Telefoonkaart                                   -   5,-

Bier en tosti terras Piazza Erbe          -  11,40

Crevette                                 -   3,70

Kwijtgeraakt aan Bancomat Italia        - 50,-

 

 


zaterdag 9 augustus

VERONA

 

Ik heb de getallen van de voorbije dagen bij elkaar geteld en vergeleken met de prognose. Elf aankomstplaatsen in totaal. Acht daarvan werden volgens plan aangedaan. Twee keer stopte ik eerder: Naturns in plaats van Meran, Villa Lagarina in plaats van Rovereto. Een keer reed ik verder: Dornbirn in plaats van Bregenz.

De geprognosticeerde totaalafstand week begrijpelijk af van de werkelijk gereden kilometers: geen 1148 maar 1211 km. Dit betreft de optelsom van dagfstanden. Daarnaast heeft de computer een ODO-meter die ongeacht de eigen waarnemingen de totaalafstand registreert. Volgens die meter heb ik zelfs 1219 km. afgelegd. Hoe kan dat, als ik tijdens ‘lummelkilometers’ het apparaat steeds verwijderd heb?

Maar wat maak ik mij druk? Fietsen, dat deed ik ooit, in een ver verleden. Vandaag is de dag van vertrek. Ik voel mij als iemand wiens vorige bestaan er niet meer toe doet. Iemand die ze komen ophalen, die op deportatie wacht. Intussen heb ik nog een dag om mij wat te vermaken.

Ik begin de dag in een café waar ik een kop thee met een croissant neem.

Daarna koop ik een flesje water.

De bank is dicht.

Naar de Piazza Brà, naar de VVV. Daar leg ik mijn malheur van gisteren uit. Ik krijg adres en telefoonnummer van de bank, zodat ik thuis alsnog contact kan opnemen. Later thuis geprobeerd bleek het nummer niet te kloppen.

Van de Arena zou je willen beweren dat het een monument is waar je niet omheen kunt, maar het tegendeel is natuurlijk waar. Gisteren was mij opgevallen dat de muren van de Arena weer door hekken worden afgeschermd en daarbinnen tref je in de openlucht allerhande decoraties uit opera’s aan, waarbij Egyptische sfinxen en faraobeelden vooral aandacht trekken. Zij fungeren als toeristische attractie en publiciteitsmateriaal Ook zie je mannen met wagentjes rijden, waarop decorstukken zijn gestapeld. Een Duitse oudere dame vertelde mij gisteren dat de opera Aïda net zijn seizoen gehad heeft en dat er op dit moment geen voorstellingen zijn. Was dat wel zo geweest, ik zou er vanwege de warmte, de vermoeidheid en de financiële tegenslag, toch geen interesse in hebben gehad. Nu in Verona zijn is prachtig als kennismaking, echte belangstelling voor de historische bezienswaardigheden kan wachten tot een ander tijdstip.

Ik ben mij ervan bewust dat ik in dit verslag de warmte slechts als overkoepelend thema wilde duiden, dat naarmate de reis vorderde toch incidenteel een klaagtoon werd aangeheven, maar ik kan het niet laten om zaterdag 9 augustus als de uiterste beproeving te kenschetsen. Wat een vrije dag in Verona tot een vervulling van wensdromen had kunnen maken, na zoveel kilometers in het zadel, werd grondig onderuitgehaald door een verzengende zon die alle initiatief doodde en het bestaan terugbracht tot lichamelijke reflexen.

 

Nochtans ben ik de dag met goede voornemens begonnen. Naast de Arena, een echt amphitheater, is Verona ook een ander Romeins theater rijk, tevens museum.

De benaming Museo Archeologico Teatro Romano vat ik als een geheel op. Later begrijp ik dat het om twee afzonderlijke attracties gaat en dat ik mij op het punt van de archeologie tekort heb gedaan.

Het theater ligt tegen een heuvel aan en vanaf de bovenste rijen van de toeschouwersplaatsen kijk je over Verona uit. Ben benieuwd of hier straks het parcours voor het wereldkampioenschap wielrennen gesitueerd is. Interessant is hoe dit oude bouwwerk een plek heeft temidden van alles wat later eraan en eromheen werd gebouwd. Boeiend is natuurlijk ook dat het theater nog steeds functioneert, al wordt daardoor wel een goed deel van het zicht op de oude architectuur ontnomen. Beneden waar zich vroeger een kleine orchestra moet hebben bevonden, is nu een moderne houten speelvloer gelegd en op de achtergrond zijn medewerkers een decorwand aan het schilderen. Vanaf de meest schaduwrijke plek die de bovenste rij biedt, bekijk ik hoe een meisje in een overall een kwast in een pot doopt, er een streek mee zet en vervolgens weer lange tijd niets. Ik zou deze mensen moeten bewonderen, maar eigenlijk de raad willen geven om er de kwast bij neer te leggen en niet alleen omdat op een ander tijdstip werktempo en resultaat beter tot hun recht komen. Ik vind de achterwand in combinatie met de geschilderde huisjes foeilelijk, maar wie weet zorgt de belichting straks voor wonderen. Weer beneden lees ik op een affiche dat Il Bugiardo (De Leugenaar) van Goldoni hier binnenkort wordt opgevoerd door de Estate Teatrale Veronese. Regisseur is Glauco Mauri. En op het affiche wordt verder een interessant onderscheid gemaakt tussen de ‘regista assistente’ en de ‘aiuto regista’.

 

Gisteren heb ik niet al te veel gegeten. Na het oude theater verlaten te hebben, duik ik weer de binnenstad in, vind in een smalle straat een restaurant waar ik op de eerste verdieping een tafeltje vind. Binnen zitten met een airco aan, is op dit moment de beste keuze. Ik bestel een stevige soep, gevolgd door asperges en salade. Bier erbij. Espresso na.

Met een anderhalve literfles water breng ik vervolgens de dag door in parken en rond het Castelvecchio. Bewegingloos zittend, liggend, af en toe een slokje nemend. Daarin ben ik niet alleen. Wie niet van ophouden weten als het om beweging gaat, zijn de Engelsen. Zij, Welshmen en Schotten tref je hier in groten getale. Met hun spierwitte benen, verhitte gezichten en gestoken in vormeloze kleren vormen zij een cliché dat ik alleen al uit fatsoen, menslievendheid en wijze zelfkennis beter zou vermijden, maar de werkelijkheid laat mij geen keus. Op een parkbankje bij het Castelvecchio vleit zo’n Brits groepje zich neer, een paar meter naast mij. Het onophoudelijk gekwebbel over wat ze zien, wat ze zagen en wat ze zullen gaan zien, wordt onderbroken door luide kreten omdat dan deze peuter, dan die zuigeling de weg dreigt over te steken. Als de kinderen weer even in bedwang zijn, gaat de litanie door. “The Adige. What’s that? It’s the river. Oh.”

De middag vordert. Het uur van vertrek nadert. Een cadeautje kopen voor thuis is nu geen beletsel, de rugzak mag nu gerust zwaarder worden. Aardig toch dat ik vanmorgen verlof kreeg om fiets en bagage zo lang achter te mogen laten in de Albergho.

Iets hartigs zou welkom zijn, want echt veel heb ik daarstraks niet gegeten. Op een pleintje voorbij een Romeinse boog, doe ik het land eer aan en bestel op het terras van Café Mercedes een soave bij de riso met tonijn en courgettes. Juist als ik plaatsneem, hoor ik Duitsers luid mopperend hun plaatsen verlaten uit onmin over de rekening of de bediening of beide. Het eten en de wijn smaken voortreffelijk en het is een genot om de bediening hier te observeren. Twee zeer jonge mensen, een erg mooie jongen, maar onhandig, en een bloedmooi meisje met een boos ontevreden gezicht. Als ik de rekening vraag ben ik verbouwereerd over het bedrag, dat niet correspondeert met de prijskaart. Ik zet alle neiging tot cultuurrelativisme opzij en besluit mijn toevlucht tot de Engelse taal te nemen. Het mooie meisje aanhoort mij en zonder met haar ogen te knipperen excuseert zij zich voor de gemaakte vergissing en geeft opdracht om het te veel betaalde te restitueren.

 

Verona – Eindhoven

Op mijn terugreisvoucher, dat ik al die tijd angstvallig in mijn reisétui bewaard heb, staat 22 uur als vertrektijd van de bus vermeld. Ik moet mij vervoegen bij de Camping Giulietta Romeo, maar op de begeleidende brief wordt ook de naam Ca dell’ Ebreo genoemd. Ik moet de weg ernaartoe nog zoeken en neem geen risico. Liever ter plekke nog een uur rondhangen, dan hier in Verona. Als ik bij de Albergho mijn fiets ophaal en mijn rugzak wil omhangen, zie ik dat mijn beide bidons vol met mieren zitten. Wanneer ik dat gedierte voldoende met water denk weggespoeld te hebben, inspecteer ik mijn hele rugzak en ook die weet ik miervrij te maken. Opstappen maar. Wacht eens, daar zit nóg een mier. Op mijn stuurlint, op de banden, de velgen. Mijn hele frame zit onder de mieren. Ze worden er tot de laatste booswicht afgeslagen. En dan vertrek ik. In gewone kleren, enkel met mijn fietsschoenen aan, ben ik niet langer de man die van Dommelen naar Verona reed. Van fietsconditie is, vrees ik na de slopende hitte van gisteren en vandaag, niet veel meer over. De vriendelijke oude baas van de Albergho had nog bij het afscheid gegrapt dat ik de hele nacht moest doortrappen, wilde ik op tijd in Olanda komen.

De camping ligt aan de Via Bresciana. Die is niet te traceren op enige stadsplattegrond, maar ongetwijfeld moet ik in westelijke richting rijden. Vrij vlug vind ik de goede weg, moet toch nog een eind buiten de stad zijn. Op de camping meld ik mij zoals in de reisinstructie vermeld, maar vind er geen warm onthaal. Men is daar niet op de hoogte van vertrekkende bussen, weet wel dat die hier ergens in de buurt, vage armgebaren naar de straatweg, reizigers ophalen. Men ondervindt er genoeg last van. Ik ga terug. Honderdvijftig meter eerder zag ik rechts het Restaurant Ca dell’ Ebreo liggen met een ruime parkeerplaats ervoor. Het restaurant is geheel leeg, activiteiten spelen zich af in de tuin achter het gebouw. Als ik eindelijk iemand te spreken krijg, is er geen spoor van herkenning bij het noemen van de busfirma. Terug maar weer naar de camping. Nu toon ik het telefoonnummer dat ik bij calamiteiten rond het vertrek zou moeten bellen. Jawel, dat is hun telefoonnummer krijg ik te horen. Nu komt een andere beheerder erbij, de rest van het gesprek gaat in het Engels, de toon wordt beheerster, de uitleg begrijpelijk. Men voelt zich op deze camping misbruikt, omdat de reisorganisatie geen enkele vorm van overleg heeft gepleegd over de functie van Giulietta Romeo als halteplaats. Het spijt de beheerder dat hij tot onvriendelijkheden jegens nietsvermoedende reizigers gedwongen wordt. Ik begrijp zijn houding en vraag beleefd of ik dan in elk geval wat water mag kopen in de naastgelegen campingwinkel. Nee, dat mag niet.

Ik had verwacht op deze camping mijn bidons te kunnen vullen; een nachtelijke busreis in deze temperatuur zonder water is niet te doen. Ik rij terug richting Verona, speurend naar verkooppunten. Een benzinestation kan mij niet van dienst zijn. Nog verder staat de houten keet van een broodjesverkoper. Walm van vet. Hier verorber ik de laatste culinaire delicatesse: een bakje patat-frites. Erg smakelijk is het niet, maar wel ga ik weg met 4 halve literflessen mineraalwater.

Het is aardig donker geworden inmiddels en met een racefiets over de Via Bresciana rijden, terwijl het verkeer langs je heen zoeft, is niet zonder gevaar en kijk, nu komt het laatste kleinood uit mijn bagage van pas. Het rode knipperlichtje wordt in werking gesteld en achterop mijn rugzak bevestigd.

Bij de ingang van de camping blijkt nog een nering te floreren. Straatprostituees wachten op klandizie. Auto’s stoppen, dan volgt een korte dialoog en soms stappen de dames in. Het is een bezigheid die je met belangstelling kunt gadeslaan, maar die wordt getemperd door de omstandigheden. Als dit een opstapplaats voor fietstoeristen is, waar blijven die dan? Sta ik hier niet glad verkeerd? Als enige tijd voorbij is gegaan word ik aangesproken door Jan. Of spreek ik hem aan? Of wij elkaar? Hij heeft hier als campinggast twee nachten doorgebracht en wacht net als ik op de bus van Cycletours. Samen prijzen wij ons gelukkig dat wij hier niet moederziel alleen op een bus staan te wachten, onzeker over het verloop van gebeurtenissen.

Moet ik nog meer over onze ontmoeting kwijt? Laat ik volstaan met twee mededelingen:

de eerste is dat de wereld klein is, zoals eenieder weet, en de tweede dat ik als laatste beloning op deze reis een maat voor onderweg kreeg toebedeeld, aan wie ik nog vaak terugdenk.

 

Wat was ik destijds verguld met het gebaar van die Nederlandse conducteur in Bazel, die de coupé-indeling zo regelde, dat ik in de nachttrein van Bazel naar Arnhem een slaapcoupé voor mij alleen had. Een treinreis naar huis, niet hoeven fietsen.

Van de rit Verona-Eindhoven kan ik niet beweren dat die hetzelfde gevoel opriep, en dat lag niet aan de zorg van de chauffeurs, maar eenvoudig aan de afstand en het betrekkelijke slaapgemak van een bus.

Om 22.35 uur kwam de bus voorbijgereden, gaf knippersignalen af en keerde aan de westkant van Verona. Wij waren dus de enige twee opstappers in deze stad. Op twee andere passagiers na, die wij in Riva moesten ophalen, wat niet zonder complicatie en boosheid verliep, waren alle overige inzittenden bij Mestre (Venetië) ingestapt. Naar reisdocumenten werd niet gevraagd!

Onderweg werd nog gestopt in Hohenlohe-Nord, waar ik een bretzel en een droog broodje met jus d’orange tot me nam, en in Brohtal waar ik vergeefs een pin-automaat zocht en met mijn laatste eurocenten een bananendrankje en een piepklein gebakje met glazuur kocht.

En dan komt het moment dat de bus de parkeerplaats aan de Fuutlaan in Eindhoven oprijdt. De Pinarello wordt uitgeladen, ik neem afscheid van Jan die de volgende dag al vroeg aan het werk moet, en rij via de binnenstad van Eindhoven over het fietspad naar de Gennepermolen en vandaar naar Aalst-Waalre en Dommelen, een afstand van ongeveer 11 km.

Thuis.

 

Uitgaven op de laatste dag:

Thee met croissant                 2,90

Flesje water                      -  0,65

Entree museum                   -  2,60

Warme lunch restaurant           - 20,-

Water in supermercato            -  1,20

Riso en wijn bij Mercedes         -  9,-  (weet niet meer precies)

Water bij broodjes/worsttent     -  4,-

Patat-frites idem                  - pm

Raststättes Hohenlohe/Brohtal    - pm (pm niet meer genoteerd, samen 5 à 6 euro?)

 


TOT BESLUIT

Het idee dat de onderweg gemaakte aantekeningen in een ooit te maken verslag hun plek zouden krijgen, was uiteraard steeds aanwezig. De vraag of dat ook ooit zou gebeuren, is nu beantwoord. In 1984 maakte ik, zoals eerder vermeld, met broer en zus een Tour de France-avontuur mee. De herinneringen aan die onvergetelijke tocht werden aan de hand van schaarse notities pas op 8 juli 2002 in een vorm gegoten. Kon ik bij die gelegenheid met zekere nonchalance beweren dat de afstand in tijd herinneringen mogelijk gekleurd had en feiten geweld aangedaan, in dit geval ben ik daar nog meer van overtuigd, ook al zijn er maar zes maanden verstreken tussen thuiskomst en het begin van dit relaas.

De uitgaven heb ik niet opgeteld. Die getallenlijstjes zijn leuk voor later. Om gniffelend te lezen wat er toen en toen gegeten en gedronken werd en wat dat in die tijd allemaal kostte. Als de advertenties in vergeelde kranten die tijdens het slopen onder het behang vandaan komen. Een gek die er nog naar kijkt. En dat is het aardige ervan.

 

Ben ik een fietser? Ik weet het niet.

Wat ga ik doen met die Pinarello? Die te dure fiets om er op zondagmiddag een rondje van knooppunt tot knooppunt op te maken. Was het wel verstandig om over die Stelvio te fietsen? Het is zo’n hoogtepunt. En dat hoogtepunt heb ik achter de rug. Moet je naar meer streven? Ik ben geen goede daler. Dat weet ik wel.

En ik koester mijn Eroba.

 

Dommelen, 1 maart 2004

Marcel Schmeits